Karl Marx
Het Kapitaal
Hoofdstuk 23
In dit hoofdstuk zullen wij de invloed behandelen die de groei van het kapitaal uitoefent op het lot van de arbeidersklasse. De belangrijkste factor bij dit onderzoek is de samenstelling van het kapitaal en de veranderingen die deze samenstelling in de loop van het accumulatieproces ondergaat.
De samenstelling van het kapitaal kan op twee manieren worden opgevat. Wat betreft de waarde wordt deze samenstelling bepaald door de verhouding, waarin het kapitaal wordt gesplitst in constant kapitaal of waarde der productiemiddelen en variabel kapitaal of waarde van de arbeidskracht, dus het totale bedrag der arbeidslonen. Wat betreft de materie, zoals het kapitaal in het arbeidsproces functioneert, wordt ieder kapitaal verdeeld in productiemiddelen en levende arbeidskracht; deze samenstelling wordt bepaald door de verhouding tussen de hoeveelheid gebruikte productiemiddelen enerzijds en de hoeveelheid arbeid, die voor het gebruik van deze productiemiddelen nodig is, anderzijds. De eerste samenstelling noem ik de waardesamenstelling van het kapitaal, de tweede de technische samenstelling van het kapitaal. Tussen beide bestaat een nauwe, onderlinge betrekking. Om deze betrekking tot uitdrukking te brengen noem ik de waardesamenstelling van het kapitaal, voor zover deze wordt bepaald door de technische samenstelling van het kapitaal en de wijzigingen in die technische samenstelling weerspiegelt: de organische samenstelling van het kapitaal. Waar in het vervolg wordt gesproken van de samenstelling van het kapitaal zonder meer, wordt steeds de organische samenstelling bedoeld.
De talrijke, in een bepaalde productietak geïnvesteerde afzonderlijke kapitalen bezitten een onderling verschillende samenstelling. Het gemiddelde van de afzonderlijke samenstellingen is de samenstelling van het totale kapitaal in die productietak. Ten slotte geeft het gemiddelde van de gemiddelde samenstellingen van alle productietakken samen de samenstelling van het maatschappelijke kapitaal van een land. In hetgeen hier volgt is in laatste instantie alleen maar sprake van deze samenstelling.
Groei van het kapitaal omvat tevens groei van het variabele of in arbeidskracht omgezette bestanddeel van het kapitaal. Een deel van de in additioneel kapitaal omgezette meerwaarde moet steeds weer worden heromgezet in varia bel kapitaal, dus in een additioneel arbeidsfonds. Laten we eens aannemen dat - behalve dat alle overige omstandigheden ongewijzigd blijven - de samenstelling van het kapitaal onveranderd blijft, dat wil zeggen dat een bepaalde hoeveelheid productiemiddelen of constant kapitaal steeds dezelfde hoeveelheid arbeidskracht nodig heeft om in beweging te worden gezet; in dat geval is het duidelijk dat de vraag naar arbeid en het bestaansmiddelenfonds van de arbeiders toeneemt met de groei van het kapitaal en des te sneller toeneemt naarmate het kapitaal sneller groeit. Aangezien het kapitaal jaarlijks een meerwaarde produceert waarvan een deel ieder jaar bij het oorspronkelijke kapitaal wordt gevoegd, aangezien deze toevoeging zelf jaarlijks groeit met de toenemende omvang van het reeds functionerende kapitaal en aangezien, ten slotte, door de bijzondere aansporing van de drift tot verrijking — zoals, om enkele voorbeelden te geven, opening van nieuwe markten, nieuwe sferen voor kapitaalinvestering ten gevolge van nieuw ontwikkelde, maatschappelijke behoeften — de accumulatieschaal plotseling voor vergroting vatbaar blijkt te zijn enkel door een gewijzigde verdeling van de meerwaarde of het meerproduct in kapitaal en inkomen, kunnen de accumulatiebehoeften van het kapitaal de toeneming van de arbeidskracht of van het aantal arbeiders overvleugelen, kan de vraag naar arbeid dus groter worden dan het aanbod van arbeid en kunnen de arbeidslonen dus stijgen. Ten slotte moet dit zelfs het geval zijn wanneer de hierboven aangenomen veronderstelling ongewijzigd van kracht blijft. Aangezien ieder jaar meer arbeiders in dienst worden genomen dan in het voorafgaande jaar, moet vroeg of laat het punt worden bereikt, waarop de accumulatiebehoeften beginnen uit te groeien boven het gewone aanbod van arbeid en de loonstijging dus begint. In Engeland klinken hierover klachten gedurende de gehele vijftiende eeuw en in de eerste helft van de achttiende eeuw. De min of meer gunstige omstandigheden, waaronder de loonarbeiders zich handhaven en vermenigvuldigen, veranderen echter niets aan het fundamentele karakter van de kapitalistische productie. Zoals de enkelvoudige reproductie voortdurend de kapitaalverhouding zelf reproduceert — kapitalisten aan de ene kant, loonarbeiders aan de andere kant — zo reproduceert de reproductie op grotere schaal, dat wil zeggen de accumulatie, de kapitaalverhouding op grotere schaal: meer kapitalisten of grotere kapitalisten aan de ene kant, meer loonarbeiders aan de andere kant. De reproductie van de arbeidskracht — die door het kapitaal onophoudelijk als middel tot meerwaardevorming moet worden ingelijfd, die zich niet van het kapitaal kan losmaken en wier horigheid aan het kapitaal slechts schuilgaat achter de wisseling der individuele kapitalisten, waaraan de arbeidskracht zich verkoopt — vormt in feite een element van de reproductie van het kapitaal zelf. Accumulatie van het kapitaal betekent dus vergroting van het proletariaat.[70]
De klassieke economie begreep dit feit zo goed dat A. Smith, Ricardo, enzovoort, zoals we reeds hebben gezien, zelfs de fout maakten de accumulatie te identificeren met consumptie van het totale gekapitaliseerde deel van het meerproduct door productieve arbeiders, dat wil zeggen met de omzetting van dit deel in additionele loonarbeiders. Reeds in 1696 schreef John Bellers: ‘Wanneer iemand 100.000 acres grond bezat en even zovele ponden geld en stuks vee, wat zou de rijke man zonder een arbeider zelf anders dan een arbeider zijn? En aangezien de arbeiders mensen rijk maken, zijn er meer rijken naarmate er meer arbeiders zijn. . . De arbeid van de armen is de goudmijn van de rijken.’[71] En in het begin van de achttiende eeuw schreef Bernard de Mandeville: ‘Waar de eigendom voldoende beschermd is, zou het gemakkelijker zijn zonder geld dan zonder armen te leven, want wie zou de arbeid moeten verrichten?. . . De arbeiders moeten voor verhongering gespaard worden, maar zij mogen evenmin dingen ontvangen die gespaard dienen te worden. Wanneer hier en daar iemand uit de laagste klasse zich door buitengewone ijver en door honger te lijden verheft boven de staat, waarin hij is opgegroeid, moet niemand hem daarbij hinderen; ja, het is ongetwijfeld voor iedere enkeling, voor ieder afzonderlijk gezin in de samenleving het verstandigste om zuinig te zijn, maar voor alle rijke naties is het belangrijk dat het grootste deel der armen nooit zonder werk is en dat die armen altijd uitgeven wat zij ontvangen. . . Zij, die door hun dagelijkse arbeid in hun levensonderhoud voorzien, hebben voor het verlenen van hun diensten geen andere prikkel dan hun behoeften en het is verstandig hun behoeften te lenigen, maar het is dwaasheid die behoeften weg te nemen. Het enige, waar men een werkende man vlijtig mee kan maken, is een matig arbeidsloon. Een te laag arbeidsloon maakt hem, al naar gelang zijn temperament, moedeloos of wanhopig, een te hoog arbeidsloon maakt hem onbeschaamd en lui. . . Uit dit alles volgt dat in een vrij land, waar geen slaven zijn toegestaan, de meest zekere rijkdom bestaat uit een groot aantal werkende armen. Behalve dat zij een nooit in gebreke blijvende bron van toevoer voor vloot en leger vormen, zouden er zonder hen geen geneugten zijn en zou geen enkel land voordeel uit zijn natuurlijke producten kunnen trekken. Om de samenleving (die natuurlijk uit niet-arbeiders bestaat -M.) gelukkig te maken en het volk zelf tevreden te doen zijn met de kommervolle omstandigheden, is het noodzakelijk dat de grote meerderheid zowel onwetend als arm blijft. Kennis maakt onze wensen zowel groter als talrijker en hoe minder een man wenst, des te gemakkelijker kunnen zijn behoeften worden bevredigd.’[72] Hetgeen Mandeville, een eerlijke man met een heldere kop, nog niet begrijpt is dat het mechanisme van het accumulatieproces zelf met de groei van het kapitaal het aantal ‘werkende armen’ doet toenemen, dat wil zeggen de loonarbeiders, die hun arbeidskracht omzetten in de steeds groter wordende productieve kracht van het in omvang groeiende kapitaal en juist daardoor hun afhankelijkheid van hun eigen, in de persoon van de kapitalist gepersonifieerd product moeten bestendigen. Met betrekking tot deze afhankelijkheid merkt Sir F. M. Eden in zijn The State of the Foor, or an History of the Labouring Classes in England (London, 1797) op: ‘Ons klimaat eist arbeid voor de bevrediging der behoeften en derhalve moet tenminste een deel van de samenleving onvermoeid arbeid verrichten. . . De enkelen, die niet werken, hebben desondanks de producten van arbeid tot hun beschikking, hetgeen zij alleen maar te danken hebben aan de beschaving en aan de maatschappelijke ordening: zij zijn louter voortbrengselen der burgerlijke instellingen.[73] Want het is dank zij deze instellingen dat werd erkend dat men zich de vruchten van de arbeid ook op andere wijze dan door arbeid kon toe-eigenen. De lieden met onafhankelijke vermogens hebben hun vermogen bijna helemaal te danken aan de arbeid van anderen en niet aan hun eigen bekwaamheden, die volstrekt niet groter zijn dan die der anderen; de rijken onderscheiden zich niet van de armen door het bezit van land en geld, maar door het commando over arbeid. . . Dit stelsel geeft aan de bezitters van eigendom een voldoende mate van invloed en gezag over hen, die voor hen werken en plaatst de armen niet in een mistroostige of serviele situatie, maar in een toestand van gemakkelijke en milde afhankelijkheid. . . Zoals iedere kenner van de menselijke aard weet, is een dergelijke afhankelijkheid noodzakelijk voor de welstand van de arbeider zelf.’[74] Hierbij zij terloops opgemerkt dat Sir F. M. Eden de enige leerling van Adam Smith is die in de achttiende eeuw iets van betekenis heeft gepresteerd.[75]
Onder de tot dusver veronderstelde, voor de arbeiders gunstige accumulatievoorwaarden neemt hun afhankelijkheid van het kapitaal verdraaglijke of, zoals Eden schrijft, ‘gemakkelijke en milde’ vormen aan. In plaats van met de groei van het kapitaal intensiever te worden, wordt deze afhankelijkheidsverhouding nu alleen maar extensiever, dat wil zeggen het terrein van uitbuiting en heerschappij door het kapitaal breidt zich alleen uit met de vergroting van het kapitaal en met het aantal onderdanen van het kapitaal. Van hun eigen groeiend en in steeds grotere mate in additioneel kapitaal omgezette meerproduct stroomt een groter deel naar hen terug in de vorm van betaalmiddelen, zodat zij het terrein van hun genoegens kunnen uitbreiden, hun consumptiefonds voor kleren, meubelen, enzovoort, kunnen vergroten en een klein reservefonds aan geld kunnen vormen. Maar zomin betere kleding, voeding en behandeling en een groter zakgeld de afhankelijkheid en de uitbuiting van de slaaf kan opheffen, evenmin wordt op deze wijze een einde gemaakt aan de afhankelijkheid en de uitbuiting van de loonarbeider. Een stijgende prijs van de arbeid ten gevolge van de accumulatie van het kapitaal betekent in feite slechts dat de lengte en het gewicht van de gouden ketting, die de loonarbeider reeds voor zichzelf heeft gesmeed, een geringere spanning kan verdragen. Bij de controversen over dit onderwerp heeft men meestal het voornaamste over het hoofd gezien, namelijk de kenmerkende eigenschappen van de kapitalistische productie. Arbeidskracht wordt hier niet gekocht om door middel van de dienst of van het product van de arbeid de persoonlijke behoeften van de koper te bevredigen. Het doel van de koper van arbeid is vergroting van zijn kapitaal, productie van waren die meer arbeid bevatten dan hij betaalt, dus een waardedeel bevatten dat hem niets kost en dat desondanks bij de verkoop van de waren wordt gerealiseerd. Productie van meerwaarde of winstmakerij is de absolute wet van deze productiewijze. De arbeidskracht is slechts verkoopbaar voor zover deze de productiemiddelen als kapitaal in stand houdt, de eigen waarde als kapitaal reproduceert en in de vorm van onbetaalde arbeid een bron vormt voor additioneel kapitaal.[76] De voorwaarden voor de verkoop van arbeidskracht, onverschillig of deze meer of minder gunstig zijn voor de arbeider, omvatten dus de noodzaak van de steeds herhaalde wederverkoop en de steeds grotere reproductie van de rijkdom als kapitaal. Zoals we hebben gezien zit in de aard van het arbeidsloon zélf de voorwaarde opgesloten dat de arbeider altijd een bepaalde hoeveelheid onbetaalde arbeid verricht. Geheel afgezien van de omstandigheid dat het arbeidsloon kan stijgen bij een daling van de prijs van de arbeid, enzovoort, betekent de stijging van het arbeidsloon in het beste geval slechts een kwantitatieve daling van de hoeveelheid onbetaalde arbeid, die de arbeider moet presteren. Deze daling kan zich nooit doorzetten tot het punt, waarop het systeem zelf wordt bedreigd. Afgezien van gewelddadige conflicten over de loonvoet — en Adam Smith heeft reeds aangetoond dat in het algemeen bij dergelijke conflicten de patroon altijd de baas blijft — impliceert een uit de accumulatie van het kapitaal voortvloeiende stijging van de prijs van de arbeid het volgende alternatief:
De ene mogelijkheid is dat de prijs van de arbeid blijft stijgen, omdat deze stijging de voortgang der accumulatie niet stoort. Hierin zit niets verwonderlijks, want, zo schrijft Adam Smith, ‘zelfs bij gedaalde winsten worden de kapitalen nog groter; zij nemen zelfs sneller toe dan voorheen. . . In het algemeen groeit een groot kapitaal bij een kleine winst sneller dan een klein kapitaal bij een grote winst’ (t.a.p., II, p. 189). In dit geval is het duidelijk dat een vermindering van de onbetaalde arbeid de versterking van de heerschappij van het kapitaal geenszins beïnvloedt. — Of, en dit is de andere mogelijkheid, de accumulatie wordt vertraagd ten gevolge van de stijgende prijs van de arbeid, omdat de prikkel tot winst afstompt. De accumulatie neemt af. Maar met deze afneming van de accumulatie verdwijnt de oorzaak van die afneming, namelijk de wanverhouding tussen kapitaal en voor uitbuiting beschikbare arbeidskracht. Het mechanisme van het kapitalistische productieproces overwint dus zelf de hindernissen, die zij tijdelijk heeft opgeworpen. De prijs van de arbeid daalt weer tot het niveau, dat overeenkomt met de behoeften tot meerwaardevorming van het kapitaal, onverschillig of dit niveau beneden, boven of op dezelfde hoogte ligt als het niveau dat vóór het begin van de loonstijging als normaal werd beschouwd. We zien dus dat het in het eerste geval niet de daling in de absolute of proportionele groei van de arbeidskracht of van de arbeidersbevolking is die leidt tot een overschot aan kapitaal, maar dat het, omgekeerd, de groei van het kapitaal is, die er toe leidt dat de voor uitbuiting beschikbare arbeidskracht ontoereikend wordt. In het tweede geval is het niet de toeneming in de absolute of proportionele groei van de arbeidskracht of van de arbeidersbevolking die er toe leidt dat het kapitaal ontoereikend wordt, maar, omgekeerd, de afneming van het kapitaal die er toe leidt dat de voor uitbuiting beschikbare arbeidskracht te overvloedig wordt of, beter gezegd, dat de prijs van die arbeidskracht te hoog wordt. Het zijn deze absolute bewegingen in de accumulatie van het kapitaal die zich weerspiegelen als de relatieve bewegingen in de hoeveelheid voor uitbuiting beschikbare arbeidskracht en die daardoor de schijn wekken veroorzaakt te zijn door de eigen beweging van die arbeidskracht. In wiskundige termen uitgedrukt: de grootte van de accumulatie is de onafhankelijke variabele, de hoogte van het loon is de afhankelijke variabele en niet omgekeerd. Zo wordt, wanneer de industriële cyclus zich in de crisisfase bevindt, de algemene daling van de warenprijzen uitgedrukt als een stijging van de relatieve geldwaarde en wordt in de fase van de bloei de algemene stijging van de warenprijzen uitgedrukt als een daling van de relatieve geldwaarde. De aanhangers van de zogenaamde Currency School trekken hieruit de conclusie dat bij hoge prijzen te weinig, bij lage prijzen te veel geld in circulatie is. Hun onkunde en hun volledige miskenning der feiten[77] vinden waardige parallellen bij de economen, die deze verschijnselen van de accumulatie willen verklaren uit de omstandigheid dat er de ene keer te weinig, de andere keer te veel loonarbeiders zijn.
De wet van de kapitalistische productie, die aan de zogenaamde ‘natuurlijke bevolkingswet’ ten grondslag ligt, komt eenvoudig hierop neer: de verhouding tussen kapitaal, accumulatie en loonvoet is niets anders dan de verhouding tussen de onbetaalde, in kapitaal omgezette arbeid en de additionele arbeid, die nodig is om het additionele kapitaal in beweging te zetten. Het is dus beslist niet een verhouding tussen twee van elkaar onafhankelijke grootheden: enerzijds de grootte van het kapitaal, anderzijds de omvang van de arbeidersbevolking; het is in laatste instantie veeleer slechts de verhouding tussen de onbetaalde arbeid en de betaalde arbeid van dezelfde arbeidersbevolking. Wanneer de hoeveelheid van de door de arbeidersklasse geleverde en door de kapitalistenklasse geaccumuleerde onbetaalde arbeid snel genoeg toeneemt om alleen maar door een buitengewoon grote toevoeging van betaalde arbeid in kapitaal te kunnen worden omgezet, dan stijgt het loon en — wanneer alle andere omstandigheden niet veranderen — neemt de onbetaalde arbeid in verhouding af. Zodra deze afneming echter het punt bereikt, waarop de meerarbeid (waardoor het kapitaal wordt gevoed) niet langer in normale hoeveelheden wordt aangeboden, treedt een reactie op: een geringer deel van het inkomen wordt gekapitaliseerd, de accumulatie stagneert en de stijgende loonbeweging ondervindt een terugslag. De verhoging van de prijs van de arbeid blijft dus beperkt binnen grenzen, die niet alleen de grondslagen van het kapitalistische systeem onaangetast laten, maar tevens zijn reproductie op steeds groter wordende schaal veilig stellen. De in een natuurwet gemystificeerde wet van de kapitalistische accumulatie drukt in feite dus alleen maar uit dat haar wezen elke afneming van de uitbuitingsgraad van de arbeid of elke stijging van de prijs van de arbeid uitsluit, die de onafgebroken reproductie van de kapitaalverhouding en de reproductie van het kapitaal op steeds grotere schaal in ernstig gevaar zou kunnen brengen. Het is niet anders mogelijk bij een productiewijze, waarbij de arbeider bestaat voor de behoeften tot vergroting van de bestaande waarden in plaats dat omgekeerd de materiële rijkdom bestaat om de ontwikkelingsbehoeften van de arbeider te bevredigen. Zoals in de godsdienst de mens wordt beheerst door het product van zijn eigen hersenen, zo wordt hij in de kapitalistische productie beheerst door het product van zijn eigen hand.[77a]
Volgens de economen zelf is het noch de bestaande omvang van de maatschappelijke rijkdom, noch de grootte van het reeds verworven kapitaal, maar zijn het uitsluitend de onafgebroken toeneming van de accumulatie en het tempo van die toeneming, die een loonsverhoging veroorzaken (A. Smith, t.a.p., boek I, hoofdstuk 8). Tot dusverre hebben wij slechts een bepaalde fase van dit proces bekeken, namelijk die fase, waarin de groei van het kapitaal plaatsvindt bij een ongewijzigde technische samenstelling van het kapitaal. Maar het proces houdt niet op met deze fase.
Zijn de algemene grondslagen van het kapitalistische systeem eenmaal gegeven, dan wordt in de loop van de accumulatie telkens een punt bereikt waarop de ontwikkeling van de productiviteit van de maatschappelijke arbeid de machtige hefboom wordt van de accumulatie. ‘Dezelfde oorzaak’, zo schrijft Adam Smith, ‘die de lonen opdrijft, namelijk de groei van het kapitaal, leidt tot verhoging van de arbeidsproductiviteit en stelt een kleinere hoeveelheid arbeid in staat een grotere hoeveelheid product te vervaardigen.’
Afgezien van natuurlijke voorwaarden (zoals de vruchtbaarheid van de grond, enzovoort) en van de vaardigheid van de onafhankelijke en afzonderlijk werkende producenten (die zich echter eerder manifesteert door een betere kwaliteit dan door een grotere kwantiteit van het product) wordt de graad van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit uitgedrukt in de relatieve grootte van de hoeveelheid productiemiddelen, die een arbeider gedurende een gegeven tijd en met dezelfde inspanning van arbeidskracht omzet in product. De hoeveelheid productiemiddelen, waarmee hij werkt, neemt toe met de productiviteit van zijn arbeid. Hierbij spelen de productiemiddelen een dubbele rol. De toeneming van de ene soort is een gevolg, de toeneming van de andere soort is een voorwaarde voor de stijgende arbeidsproductiviteit. Zo wordt bijvoorbeeld met de arbeidsverdeling in de manufactuur en met het gebruik van machinerie in dezelfde tijd meer grondstof verwerkt en komt dus een grotere hoeveelheid grondstoffen en hulpstoffen in het arbeidsproces terecht. Dit is het gevolg van de stijgende arbeidsproductiviteit. Aan de andere kant is de hoeveelheid gebruikte machinerie, trekvee, kunstmest, draineerbuizen, enzovoort, een voorwaarde voor de stijgende arbeidsproductiviteit. Dit geldt eveneens voor de hoeveelheid productiemiddelen die geconcentreerd zijn in gebouwen, hoogovens, transportmiddelen, enzovoort. Maar onverschillig of het een voorwaarde of een gevolg is, de toenemende omvang van de productiemiddelen brengt, vergeleken met de door die productiemiddelen ingelijfde arbeidskracht, de stijgende arbeidsproductiviteit tot uitdrukking. De stijging van de arbeidsproductiviteit komt dus tot uiting in de daling van de hoeveelheid arbeid in verhouding tot de hoeveelheid productiemiddelen, die door die arbeid in beweging wordt gebracht of, anders uitgedrukt: in de daling van de omvang van de subjectieve factor van het arbeidsproces vergeleken met de objectieve factoren van het arbeidsproces.
Deze wijziging in de technische samenstelling van het kapitaal — de toeneming van de hoeveelheid productiemiddelen vergeleken met de hoeveelheid arbeidskracht, die die productiemiddelen in beweging zet — wordt weerspiegeld in de waardesamenstelling van het kapitaal, in de groei van het constante bestanddeel van de kapitaalwaarde ten koste van het variabele bestanddeel. Stel dat een kapitaal oorspronkelijk voor 50 % in productiemiddelen en voor 50 % in arbeidskracht werd geïnvesteerd; later, na de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit, voor 80 % in productiemiddelen en voor 20 % in arbeidskracht, enz. Deze wet van de voortdurende groei van het constante kapitaaldeel vergeleken met het variabele kapitaaldeel wordt, zoals hierboven reeds werd aangetoond, in iedere fase bevestigd door de vergelijkende analyse der warenprijzen, onverschillig of wij verschillende economische perioden van één land of verschillende landen in dezelfde periode vergelijken. De relatieve grootte van het bestanddeel van de prijs, dat alleen maar de waarde van de verbruikte productiemiddelen of het constante kapitaaldeel vertegenwoordigt, zal in een recht evenredige, de relatieve grootte van het andere bestanddeel, dat het arbeidbetalende of variabele kapitaaldeel vertegenwoordigt, zal in het algemeen in een omgekeerd evenredige verhouding staan tot de vooruitgang van de accumulatie.
De vermindering van het variabele kapitaaldeel ten opzichte van het constante kapitaaldeel, dat wil zeggen de gewijzigde samenstelling van de kapitaalwaarde, toont slechts bij benadering de verandering aan in de samenstelling van de materiele bestanddelen van het kapitaal. Wanneer bijvoorbeeld op het ogenblik de in de spinnerij geïnvesteerde kapitaalwaarde voor 7/8 constant en voor 1/8 variabel is, terwijl in het begin van de achttiende eeuw de helft constant en de helft variabel was, is daarentegen de hoeveelheid grondstof, arbeidsmiddelen, enzovoort, die tegenwoordig door een bepaalde hoeveelheid spinarbeid productief wordt verbruikt, honderden keren zo groot als in het begin van de achttiende eeuw. De oorzaak hiervan is eenvoudig deze: met de gestegen arbeidsproductiviteit neemt niet alleen de omvang van de door de arbeid verbruikte productiemiddelen toe, maar neemt de waarde van die productiemiddelen af vergeleken met de omvang. De waarde van de productiemiddelen stijgt dus absoluut, maar niet proportioneel met de omvang van de productiemiddelen. De groei van het verschil tussen het constante en het variabele kapitaal is dus veel kleiner dan de groei van het verschil tussen de hoeveelheid productiemiddelen, waarin het constante kapitaal wordt omgezet, en de hoeveelheid arbeidskracht, waarin het variabele kapitaal wordt omgezet. Het eerste verschil neemt toe met het tweede, maar in een geringere mate.
Trouwens, wanneer de vooruitgang van de accumulatie de relatieve grootte van het variabele kapitaaldeel doet dalen, sluit dit geenszins een stijging van de absolute grootte van dit kapitaaldeel uit. Stel dat een kapitaalwaarde aanvankelijk werd gesplitst in 50 % constant en 50 % variabel kapitaal en later in 80 % constant en 20 % variabel kapitaal. Is inmiddels het oorspronkelijke kapitaal van zeg £6.000 aangegroeid tot £18.000, dan is het variabele bestanddeel van dit kapitaal ook met 1/5 toegenomen. Dit deel was £3.000 en is thans £3.600. Waar echter vroeger een toeneming van het kapitaal van 20 % voldoende zou zijn geweest om de vraag naar arbeid met 20 % te doen toenemen, is hiervoor thans verdrievoudiging van het oorspronkelijke kapitaal nodig.
In Afdeling IV toonde ik aan hoe de ontwikkeling van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit coöperatie op grote schaal vooronderstelt, hoe alleen onder deze voorwaarde verdeling en combinatie van arbeid konden worden georganiseerd, hoe door massale concentratie kon worden bespaard op productiemiddelen, hoe arbeidsmiddelen, die uit de aard van hun samenstelling alleen gemeenschappelijk kunnen worden gebruikt (het systeem van machines, enzovoort) konden ontstaan, hoe de ontzaglijke natuurkrachten in dienst van het productieproces konden worden gesteld en hoe het productieproces kon worden omgezet in de technische toepassing van de wetenschap. Op basis van de warenproductie - waarbij de productiemiddelen privé-bezit zijn en de handarbeider hetzij afzonderlijk en zelfstandig waren produceert, hetzij arbeidskracht als waar verkoopt omdat hem de middelen voor een eigen bedrijf ontbreken - kan deze vooronderstelling alleen maar worden gerealiseerd door de groei van de afzonderlijke kapitalen, dat wil zeggen naarmate de maatschappelijke productie- en bestaansmiddelen het privé-bezit worden van kapitalisten. Alleen in de kapitalistische vorm kan de warenproductie productie op grote schaal worden. Een zekere accumulatie van kapitaal in handen van individuele warenproducenten is derhalve voorwaarde voor de specifiek kapitalistische productiewijze. Daarom moesten wij bij de overgang van het ambachtsbedrijf naar het kapitalistische bedrijf uitgaan van de veronderstelling dat een dergelijke accumulatie bestaat. Men kan die accumulatie de oorspronkelijke accumulatie noemen, omdat deze niet het historisch resultaat is van de specifiek kapitalistische productie, maar de historische basis van die productie. Hier hoeven wij nog niet na te gaan hoe deze oorspronkelijke accumulatie zelf ontstaat. Het is voor ons nu voldoende dat die accumulatie het uitgangspunt vormt. Maar alle methoden tot verhoging van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit, die op deze basis ontstaan, zijn tevens methoden tot een vergrote productie van meerwaarde of meerproduct, welke productie weer het creatieve element is van de accumulatie. Het zijn dus tevens methoden tot productie van kapitaal door kapitaal of methoden voor een versnelde accumulatie van kapitaal. De onafgebroken heromzetting van meerwaarde in kapitaal verschijnt als een gestadige groei van het aan het productieproces deelnemende kapitaal. Dit kapitaal wordt op zijn beurt de basis voor een grotere productieschaal en voor de daarmee gepaard gaande methoden ter verhoging van de arbeidsproductiviteit en versnelling van de productie van meerwaarde. Wanneer dus een zekere mate van kapitaalaccumulatie voorwaarde is voor de specifiek kapitalistische productiewijze, veroorzaakt dit omgekeerd een versnelde accumulatie van het kapitaal. ‘Met de accumulatie van kapitaal komt dus de specifiek kapitalistische productiewijze tot ontwikkeling en met de specifiek kapitalistische productiewijze komt de accumulatie van kapitaal tot ontwikkeling. Deze beide economische factoren veroorzaken - krachtens de samengestelde verhouding van het effect dat zij op elkaar uitoefenen - de verandering in de technische samenstelling van het kapitaal, waardoor het variabele bestanddeel, vergeleken met het constante bestanddeel, steeds kleiner wordt.
Ieder afzonderlijk kapitaal is een kleinere of grotere concentratie van productiemiddelen met het daarbij behorende commando over een kleiner of groter leger van arbeiders. Iedere accumulatie wordt het middel tot nieuwe accumulatie. Met de toegenomen hoeveelheid als kapitaal functionerende rijkdom vergroot de accumulatie de concentratie van rijkdom in handen van individuele kapitalisten en daardoor wordt de basis van de productie op grotere schaal en van de specifiek kapitalistische productiemethoden verbreed. De groei van het maatschappelijk kapitaal voltrekt zich in de groei van vele afzonderlijke kapitalen. Wanneer alle overige omstandigheden ongewijzigd blijven, neemt de omvang van de afzonderlijke kapitalen en daarmee de concentratie van de productiemiddelen in dezelfde verhouding toe als waarin zij de evenredige delen van het totale maatschappelijke kapitaal vormen. Tegelijkertijd maken de loten van de oorspronkelijke kapitalen zich los en functioneren als nieuwe, zelfstandige kapitalen. Hierbij speelt onder andere de verdeling van de vermogens in de kapitalistische families een grote rol. Met de accumulatie van het kapitaal neemt dus ook het aantal kapitalisten min of meer toe. Twee punten kenmerken dit soort concentratie, dat direct op de accumulatie berust of, veeleer, identiek is met de accumulatie. Ten eerste: de toenemende concentratie van de maatschappelijke productiemiddelen in handen van individuele kapitalisten wordt, onder overigens ongewijzigde omstandigheden, beperkt door het groeitempo van de maatschappelijke rijkdom. Ten tweede: het deel van het maatschappelijke kapitaal, dat in iedere afzonderlijke productietak is belegd, is verdeeld onder vele kapitalisten die tegenover elkaar staan als onafhankelijke en met elkaar concurrerende warenproducenten. De accumulatie en de daarmee gepaard gaande concentratie zijn dus niet alleen op vele punten versnipperd, maar de groei van de functionerende kapitalen wordt ook nog doorkruist door de vorming van nieuwe en de splitsing van oude kapitalen. Vertoont de accumulatie zich dus enerzijds als een groeiende concentratie van productiemiddelen en van het commando over arbeid, anderzijds manifesteert zij zich als een onderling afstoten van vele individuele kapitalen.
Deze versplintering van het totale maatschappelijke kapitaal in vele afzonderlijke kapitalen of het onderling afstoten van de delen van dit kapitaal wordt tegengewerkt door hun aantrekking. Dit is niet meer de eenvoudige, met de accumulatie identieke concentratie van productiemiddelen en commando over arbeid. Het is de concentratie van reeds gevormde kapitalen, opheffing van hun afzonderlijke zelfstandigheid, onteigening van kapitalist door kapitalist, omzetting van vele kleine kapitalen in weinige grote kapitalen. Dit proces onderscheidt zich van de eenvoudige accumulatie doordat het slechts betrekking heeft op de gewijzigde verdeling van de reeds bestaande en functionerende kapitalen, waardoor de speelruimte van dit proces dus niet wordt beperkt door de absolute groei van de maatschappelijke rijkdom of door de absolute grenzen van de accumulatie. Het kapitaal zwelt hier in één hand aan tot een grote omvang, omdat het elders uit handen van velen wordt genomen. Het is de eigenlijke centralisatie ter onderscheiding van de accumulatie en de concentratie.
De wetten van deze centralisatie van de kapitalen of aantrekking van kapitaal door kapitaal kunnen hier niet verder worden ontwikkeld. Een korte, feitelijke aanduiding is voldoende. De concurrentiestrijd wordt gevoerd door het goedkoper maken van de waren. De goedkoopte van de waren is, onder overigens gelijke omstandigheden, afhankelijk van de arbeidsproductiviteit en de arbeidsproductiviteit is weer afhankelijk van de productieschaal. Daarom winnen de grote kapitalen het van de kleine kapitalen. Men herinnert zich verder dat met de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze de minimale omvang van het afzonderlijke kapitaal, die nodig is om een zaak onder normale voorwaarden te drijven, toeneemt. De kleine kapitalen verdringen zich daarom in die gebieden van de productie, waar de grootindustrie zich nog maar sporadisch of onvolledig meester van heeft gemaakt. De heftigheid van de concurrentie staat hier in een recht evenredige verhouding tot het aantal en in een omgekeerd evenredige verhouding tot de grootte van de strijdende kapitalen. De concurrentie eindigt steeds met de ondergang van vele kleinere kapitalisten, wier kapitalen gedeeltelijk overgaan in handen van de overwinnaars, gedeeltelijk worden vernietigd. Afgezien hiervan komt met de kapitalistische productie een geheel nieuwe macht tot ontwikkeling: het kredietwezen, dat in het begin heimelijk, als een bescheiden hulp der accumulatie binnensluipt, door onzichtbare draden de over de gehele maatschappij in kleinere of grotere hoeveelheden versnipperde geldmiddelen in handen van individuele of geassocieerde kapitalisten brengt, maar spoedig een nieuw en machtig wapen wordt in de concurrentiestrijd en zich uiteindelijk ontpopt tot een enorm sociaal mechanisme ter centralisatie der kapitalen.
Naarmate de kapitalistische productie en de accumulatie tot ontwikkeling komen ontwikkelen zich ook de concurrentie en het krediet, de twee machtigste hefbomen van de centralisatie. Daarnaast wordt door de vooruitgang van de accumulatie de voor de centralisatie beschikbare materie in omvang vergroot, dat wil zeggen de afzonderlijke kapitalen, terwijl de uitbreiding van de kapitalistische productie aan de ene kant de maatschappelijke behoefte en aan de andere kant de technische middelen schept voor de enorme industriële ondernemingen, die slechts kunnen ontstaan dank zij een voorafgaande centralisatie van kapitaal. Daarom is tegenwoordig de wederzijdse aantrekkingskracht van de afzonderlijke kapitalen en de neiging tot centralisatie sterker dan ooit tevoren. Maar ondanks dat de relatieve expansie en de kracht van de centraliserende beweging in zekere mate wordt bepaald door de reeds bereikte omvang van de kapitalistische rijkdom en de superioriteit van het economisch mechanisme, is de ontwikkeling van de centralisatie geenszins afhankelijk van de positieve groei van het maatschappelijk kapitaal. En dit is het kenmerkende onderscheid tussen de centralisatie en de concentratie, welke laatste slechts een andere uitdrukking is voor de reproductie op grotere schaal. Centralisatie kan voortvloeien uit een louter gewijzigde verdeling van de reeds bestaande kapitalen, uit een eenvoudige wijziging in de kwantitatieve groepering van de bestanddelen van het maatschappelijk kapitaal. Het kapitaal kan op de ene plaats in handen van een enkeling tot een enorme omvang toenemen, omdat het elders aan vele afzonderlijke personen wordt onttrokken. In iedere bedrijfstak bereikt de centralisatie haar maximum wanneer alle in die bedrijfstak geïnvesteerde kapitalen zouden zijn samengesmolten tot één enkel kapitaal.[77b] In een gegeven maatschappij zou dit maximum pas worden bereikt wanneer het totale maatschappelijke kapitaal zou zijn geconcentreerd in handen hetzij van een afzonderlijke kapitalist, hetzij van een combinatie van kapitalisten.
De centralisatie vult het werk van de accumulatie aan doordat de industriële kapitalisten hierdoor in staat worden gesteld op grotere schaal te produceren. Ongeacht of dit resultaat het gevolg is van de accumulatie of van de centralisatie, ongeacht of de centralisatie wordt bereikt door gewelddadige annexatie (waarbij bepaalde kapitalen zulke sterke centra van aantrekkingskracht worden voor andere kapitalen, dat zij de cohesie van de afzonderlijke kapitalen breken en de brokstukken tot zich trekken) of door samensmelting van een aantal afzonderlijke, reeds bestaande kapitalen of van kapitalen die zijn betrokken bij de vlottere methode van vorming van naamloze vennootschappen — het economische effect blijft hetzelfde. De toegenomen grootte van de industriële bedrijven vormt overal het uitgangspunt voor een meer omvattende organisatie van de gezamenlijke arbeid van velen, voor een bredere ontwikkeling van hun materiële krachten, dat wil zeggen voor een verdergaande omzetting van afzonderlijke en traditioneel geleide productieprocessen in maatschappelijk gecombineerde en wetenschappelijk geleide productieprocessen.
Het is echter duidelijk dat de accumulatie, de geleidelijke vergroting van het kapitaal door de uit de cirkelvorm in de spiraal overgaande reproductie, een nogal langzaam proces is vergeleken met de centralisatie, die slechts de kwantitatieve groepering van de samenstellende delen van het maatschappelijk kapitaal hoeft te veranderen. De wereld zou nu nog zonder spoorwegen zijn wanneer men zó lang had moeten wachten tot de accumulatie enkele afzonderlijke kapitalen in die mate had doen groeien, dat daardoor de aanleg van een spoorweg mogelijk was geworden. De centralisatie daarentegen heeft dit door middel van de naamloze vennootschappen in een handomdraai klaargespeeld. En terwijl de centralisatie op deze wijze de uitwerking van de accumulatie versterkt en versnelt, vergroot en versnelt zij tegelijkertijd de omwenteling in de technische samenstelling van het kapitaal, waardoor het constante deel groter wordt ten koste van het variabele deel en de relatieve vraag naar arbeid afneemt.
De door de centralisatie zo snel samengevoegde hoeveelheden kapitaal reproduceren en vermeerderen zich als de andere kapitalen, alleen nog sneller, waardoor zij nieuwe, machtige hefbomen worden van de maatschappelijke accumulatie. Wanneer men dus spreekt over de ontwikkeling van de maatschappelijke accumulatie, dan is daarbij tegenwoordig tevens de werking van de centralisatie stilzwijgend inbegrepen.
De in de loop van de normale accumulatie gevormde additionele kapitalen (zie hoofdstuk 22, § 1) dienen bij voorkeur als middel tot exploitatie van nieuwe uitvindingen en ontdekkingen, in het algemeen voor industriële verbeteringen. Maar ook het oude kapitaal bereikt met de tijd het ogenblik van zijn vernieuwing van hoofd en leden, waarop het zich van zijn huid ontdoet en eveneens wordt herboren in de vervolmaakte technische gedaante, waarbij een geringere hoeveelheid arbeid voldoende is om een grotere hoeveelheid machinerie en grondstoffen in beweging te zetten. De hieruit noodzakelijkerwijs voortvloeiende absolute daling van de vraag naar arbeid wordt vanzelfsprekend groter naarmate de kapitalen, die dit vernieuwingsproces doorlopen, door het proces van centralisatie reeds tot grote hoeveelheden zijn opgehoopt.
Enerzijds trekt dus het in de loop van de accumulatie gevormde additionele kapitaal in verhouding tot zijn grootte steeds minder arbeiders aan en anderzijds stoot het periodiek in een nieuwe samenstelling gereproduceerde oude kapitaal steeds meer vroeger te werk gestelde arbeiders af.
De accumulatie van het kapitaal, die oorspronkelijk niets anders scheen te zijn dan een kwantitatieve vergroting van het kapitaal, komt — zoals we hebben gezien — tot stand door een onafgebroken kwalitatieve wijziging in de samenstelling van het kapitaal, door een voortdurende toeneming van het constante bestanddeel ten koste van het variabele bestanddeel.[77c]
De specifiek kapitalistische productiewijze, de daarmee corresponderende ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit en de daardoor veroorzaakte wijziging in de organische samenstelling van het kapitaal houden niet slechts gelijke tred met de voortgang van de accumulatie of met de groei van de maatschappelijke rijkdom. Zij ontwikkelen zich veel sneller, omdat de enkelvoudige accumulatie of absolute vergroting van het totale kapitaal gepaard gaat met de centralisatie van de afzonderlijke delen van dit kapitaal en omdat de technische omwenteling van het additionele kapitaal gepaard gaat met de technische omwenteling van het oorspronkelijke kapitaal. Met de vooruitgang van de accumulatie ontstaat dus een wijziging in de verhouding tussen het constante kapitaaldeel en het variabele kapitaaldeel. Wanneer deze verhouding aanvankelijk 1:1 was en verandert in 2:1, 3:1, 4:1, 5:1, 7:1, enzovoort, zal, hoe het kapitaal ook groeit, in plaats van 1/2 van zijn totale waarde respectievelijk slechts 1/3, 1/4, 1/5, 1/6, 1/8, enzovoort, in arbeidskracht en daarentegen 2/3, 3/4, 4/5, 5/6, 7/8, enzovoort, in productiemiddelen worden omgezet. Aangezien de vraag naar arbeid niet wordt bepaald door de omvang van het totale kapitaal, maar door de omvang van het variabele bestanddeel, daalt de vraag naar arbeid dus progressief met de groei van het totale kapitaal in plaats van, zoals eerst werd verondersteld, in verhouding daarmee toe te nemen. De vraag naar arbeid daalt in verhouding tot de grootte van het totale kapitaal en des te sneller naarmate de grootte van het totale kapitaal toeneemt. Met de groei van het totale kapitaal neemt weliswaar ook het variabele bestanddeel of de daarin besloten arbeidskracht toe, maar in een steeds afnemende verhouding. De tussenpozen, waarin de accumulatie enkel werkt als vergroting van de productie op een gegeven technische basis, worden korter. En niet slechts is een in steeds toenemende mate versnelde accumulatie van het totale kapitaal nodig om een gegeven aantal additionele arbeiders te absorberen of zelfs, door de voortdurende metamorfose van het oude kapitaal, voor de reeds werkende arbeiders werkgelegenheid te behouden. De toenemende accumulatie en centralisatie worden op hun beurt weer een bron voor nieuwe wijzigingen in de samenstelling van het kapitaal, dat wil zeggen voor een herhaalde versnelling van de daling van het variabele bestanddeel ten opzichte van het constante bestanddeel. Omgekeerd wekt aan de andere kant deze met de groei van het totale kapitaal versnelde en sneller dan zijn eigen groei versnelde relatieve daling van het variabele bestanddeel de schijn alsof de absolute toeneming van de arbeidersbevolking sneller plaatsvindt dan de groei van het variabele kapitaal of van de middelen, waarmee voor die arbeidersbevolking werk wordt verschaft. Maar in werkelijkheid is het de kapitalistische accumulatie zelf, die in verhouding tot haar kracht en omvang voortdurend een relatieve — dat wil zeggen voor de gemiddelde behoeften tot meerwaardevorming van het kapitaal overtollige — en daardoor overvloedige arbeidersbevolking of surplus-arbeidersbevolking produceert.
Bekijken we het totale maatschappelijke kapitaal, dan veroorzaakt de beweging van zijn accumulatie nu eens periodieke veranderingen die het geheel betreffen, dan weer verdelen de fasen van de accumulatie zich gelijktijdig over de verschillende productietakken. In enkele productietakken vindt de verandering in de samenstelling van het kapitaal plaats zonder groei van zijn absolute grootte, louter als gevolg van de concentratie; in andere productietakken is de absolute groei van het kapitaal gebonden aan de absolute daling van zijn variabel bestanddeel of van de daardoor geabsorbeerde arbeidskracht; in weer andere productietakken zet de groei van het kapitaal zich een tijdlang op de bestaande technische basis voort en trekt in verhouding tot zijn groei additionele arbeidskracht aan, terwijl het in andere perioden organische veranderingen ondergaat en het variabele bestanddeel kleiner wordt; in alle productietakken is de groei van het variabele kapitaaldeel — en dus het aantal te werk gestelde arbeiders — steeds verbonden met heftige fluctuaties en voorbijgaande voortbrenging van overbevolking, hetzij in de duidelijk waarneembare vorm van afstoting van reeds te werk gestelde arbeiders, hetzij in de minder duidelijk waarneembare, maar niet minder effectieve vorm van een bemoeilijkte absorptie van de additionele arbeidersbevolking via de gebruikelijke afvoerkanalen.[78] Met de omvang van het reeds functionerende, maatschappelijke kapitaal en het tempo van zijn groei, met de vergroting van de productieschaal en van het aantal te werk gestelde arbeiders, met de ontwikkeling van de productiviteit van hun arbeid, met de bredere en vollere stroom van alle springbronnen van de rijkdom, vindt ook een vergroting plaats van de schaal, waarop grotere aantrekking van de arbeiders door het kapitaal gepaard gaat met grotere afstoting van de arbeiders, neemt de snelheid der wijzigingen in de organische samenstelling van het kapitaal en in zijn technische gedaante toe en wordt het aantal productietakken, dat nu eens gelijktijdig, dan weer afwisselend deze veranderingen ondergaat, groter. Met de door haar zelf voortgebrachte accumulatie van het kapitaal produceert de arbeidersbevolking dus op steeds grotere schaal de middelen, waardoor zij zichzelf relatief overvloedig maakt.[79] Dit is een voor de kapitalistische productiewijze typerende bevolkingswet, zoals in feite iedere bepaalde, historische productiewijze haar eigen, historisch geldige bevolkingswet kent. Een abstracte bevolkingswet bestaat slechts voor planten en dieren en dit alleen nog maar voor zover de mens hierbij niet heeft ingegrepen.
Indien echter een surplus-arbeidersbevolking het noodzakelijke resultaat is van de accumulatie of van de ontwikkeling van de rijkdom op kapitalistische grondslag, wordt deze overbevolking omgekeerd de hefboom van de kapitalistische accumulatie, sterker nog, een bestaansvoorwaarde van de kapitalistische productiewijze. Zij vormt een beschikbaar industrieel reserveleger, dat zozeer het absolute eigendom van het kapitaal is, dat het lijkt alsof het op kosten van het kapitaal was grootgebracht. Zij vormt voor de wisselende behoeften van het kapitaal tot meerwaardevorming het steeds voor uitbuiting beschikbare mensenmateriaal, onafhankelijk van de grenzen van de werkelijke bevolkingsgroei. Met de accumulatie en de daarmee gepaard gaande ontplooiing van de arbeidsproductiviteit wordt de kracht van het kapitaal tot plotselinge expansie sterker, niet alleen omdat de elasticiteit van het functionerende kapitaal toeneemt en de absolute rijkdom — waarvan het kapitaal slechts een elastisch deel vormt — groter wordt en niet alleen omdat het krediet dank zij iedere bijzondere prikkel in een ommezien een ongebruikelijk groot deel van deze rijkdom als additioneel kapitaal ter beschikking stelt; die kracht wordt ook sterker omdat de technische voorwaarden van het productieproces zelf — machinerie, transportmiddelen, enzovoort — op zeer grote schaal de snelste omzetting van meerproduct in additionele productiemiddelen mogelijk maakt. De met de vooruitgang der accumulatie aanzwellende en in additioneel kapitaal omzetbare hoeveelheid maatschappelijk kapitaal dringt onstuimig door in de oude productietakken, wier afzetgebied plotseling is vergroot, of in de nieuwe productietakken — zoals de spoorwegen — waaraan behoefte is ontstaan door de ontwikkeling van de oude productietakken. In al dergelijke gevallen moeten grote aantallen mensen plotseling en zonder afbreuk te doen aan de productieschaal in andere takken op de beslissende punten aanwezig zijn. Hierin voorziet de overbevolking. De kenmerkende levensloop van de moderne industrie — de vorm van een door kleine schommelingen onderbroken tienjarige cyclus van perioden van middelmatige bedrijvigheid, productie onder hoogspanning, crisis en stagnatie — berust op het voortdurend vormen, het minder of meer absorberen en het opnieuw vormen van het industrieel reserveleger of overbevolking. Op hun beurt rekruteren de schommelingen van de industriële cyclus de overbevolking, waardoor zij de machtigste middelen voor haar reproductie worden.
Deze kenmerkende loop van de moderne industrie, die ons uit geen enkel vroeger tijdperk uit de geschiedenis der mensheid bekend is, was ook in het begin van de kapitalistische productie niet mogelijk. De samenstelling van het kapitaal veranderde slechts zeer langzaam. De accumulatie van het kapitaal hield dus in het algemeen gelijke tred met de relatieve toeneming van de vraag naar arbeid. Zo langzaam als, vergeleken met de moderne tijd, de accumulatie van het kapitaal plaatsvond, stuitte het op de natuurlijke grenzen van de voor uitbuiting beschikbare arbeidersbevolking, welke grenzen slechts door later te vermelden, gewelddadige middelen konden worden overschreden. De plotselinge en sprongsgewijze expansie van de productieschaal is de voorwaarde voor de plotselinge contractie; de laatste veroorzaakt weer de eerste, maar de eerste is onmogelijk zonder beschikbaar mensenmateriaal, zonder een toeneming van arbeiders die onafhankelijk is van de absolute groei van de bevolking. Zij ontstaat door het eenvoudige proces dat een deel der arbeiders voortdurend ‘vrij maakt’, door methoden die het aantal werkende arbeiders in verhouding tot de grotere productie verminderen. De gehele bewegingsvorm van de moderne industrie komt dus voort uit de gestadige omzetting van een deel van de arbeidersbevolking in werkloze of half werkloze arbeiders. De oppervlakkigheid van de economen blijkt onder andere uit het feit dat zij de expansie en contractie van het krediet, louter symptoom van de schommelingen van de industriële cyclus, zien als hun oorzaak. Evenals de hemellichamen die, wanneer zij eenmaal in een bepaalde baan zijn geslingerd steeds dezelfde beweging herhalen, zo is het ook bij de maatschappelijke productie zodra deze eenmaal in de beweging van afwisselende expansie en contractie is geraakt. Gevolgen worden op hun beurt oorzaken en de schommelingen van het gehele proces, dat steeds weer zijn eigen voorwaarden reproduceert, nemen de vorm van periodiciteit aan. Is deze vorm van periodiciteit eenmaal geconsolideerd, dan zien zelfs de economen in dat de productie van een relatief, dat wil zeggen met betrekking tot de gemiddelde behoeften van het kapitaal tot meerwaardevorming, overtollige bevolking de levensvoorwaarde is van de moderne industrie.
‘Veronderstel eens,’ schrijft H. Merivale, vroeger hoogleraar in de economie in Oxford en later ambtenaar van het Engelse ministerie van Koloniën, ‘dat tijdens een crisis het volk zich tot het uiterste inspant om door emigratie enkele honderdduizenden arbeiders kwijt te raken; wat zou dan het gevolg zijn? Dat bij het eerste herstel van de vraag naar arbeid er een gebrek aan arbeid zou zijn. Hoe snel de reproductie van mensen ook mag gaan, er is in ieder geval een generatie nodig om volwassen arbeiders te vervangen. Nu hangen de winsten van onze fabrikanten voornamelijk af van de macht om het gunstige moment — wanneer de vraag groot is — uit te buiten en zich op die wijze schadeloos te stellen voor de slappe tijd. Over deze macht kunnen zij alleen beschikken door het bevel over machinerie en handarbeid. Zij moeten beschikbare arbeiders aantreffen; zij moeten in staat zijn hun activiteiten, indien nodig, te vergroten of te temperen al naar gelang de situatie op de markt. Anders kunnen zij gewoonweg niet in de felle strijd van de concurrentie de overmacht behouden, waarop de rijkdom van dit land is gebaseerd.’[80] Zelfs Malthus ziet in de overbevolking, die hij op zijn geborneerde manier verklaart als een absoluut overschot van de arbeidersbevolking en niet als haar relatieve overtolligheid, een noodzaak voor de moderne industrie: ‘Voorzichtige gewoonten met betrekking tot het huwelijk kunnen, wanneer ze in aanzienlijke mate worden gevolgd door de arbeidersklasse van een land dat voornamelijk afhankelijk is van industrie en handel, voor dat land schadelijk zijn. . . Uit de aard van de bevolking vloeit voort dat een groei van de arbeidersbevolking niet als gevolg van een bepaalde vraag op de markt kan worden gebracht voordat 16 of 18 jaar zijn verlopen, terwijl de omzetting van inkomen in kapitaal door middel van sparen veel sneller kan geschieden; een land staat altijd bloot aan een groei van het arbeidsfonds, welke sneller plaatsvindt dan de groei van de bevolking.’[81] Nadat de economen zo de voortdurende productie van een relatieve overbevolking van arbeiders hebben verklaard tot een noodzaak voor de kapitalistische accumulatie, geven zij — zeer toepasselijk via een oude juffrouw — het beau idéal (het schone ideaal) van hun kapitalisten weer in de volgende woorden, gericht tot de door hun eigen schepping van additioneel kapitaal op straat gezette ‘overtolligen’: ‘Wij fabrikanten doen voor u wat wij kunnen door het kapitaal, waarvan u moet bestaan, te laten groeien; en u moet het overige doen door uw aantal aan te passen bij de bestaansmiddelen.’[82]
De kapitalistische productie heeft volstrekt niet genoeg aan de hoeveelheid beschikbare arbeidskracht, die door de natuurlijke bevolkingsaanwas wordt geleverd. Zij heeft voor haar vrije spel behoefte aan een industrieel reserveleger, dat onafhankelijk is van deze natuurlijke grenzen.
Tot nu toe hebben wij verondersteld dat de toe- of afneming van het variabele kapitaal overeenkomt met de toe- of afneming van het aantal aan het werk gezette arbeiders.
Het variabele kapitaal neemt toe bij een gelijkblijvend of zelfs bij een verminderd aantal door dat kapitaal gecommandeerde arbeiders, indien de individuele arbeider meer arbeid levert en zijn arbeidsloon dus stijgt, ofschoon de prijs van zijn arbeid gelijk blijft of zelfs daalt, wanneer deze maar langzamer daalt dan de hoeveelheid arbeid toeneemt. De groei van het variabele kapitaal wordt dan index van meer arbeid, maar niet van meer te werk gestelde arbeiders. Iedere kapitalist heeft er een absoluut belang bij een bepaalde hoeveelheid arbeid uit een kleiner aantal arbeiders te halen in plaats van even goedkoop of zelfs goedkoper uit een groter aantal arbeiders. In het laatste geval nemen de uitgaven voor constant kapitaal in verhouding tot de hoeveelheid in beweging gezette arbeid sneller toe dan in het eerste geval. Hoe groter de productieschaal, des te beslissender is dit motief, dat met de accumulatie van kapitaal aan betekenis wint.
We hebben gezien dat de ontwikkeling van de kapitalistische productie en van de arbeidsproductiviteit — tegelijkertijd oorzaak en gevolg van de accumulatie — de kapitalist in staat stelt met dezelfde uitgaven aan variabel kapitaal door een meer extensieve of intensieve uitbuiting van de individuele arbeidskrachten meer arbeid in beweging te zetten. We hebben verder gezien dat hij met dezelfde kapitaalwaarde meer arbeidskrachten koopt wanneer hij steeds meer geschoolde arbeiders vervangt door ongeschoolden, rijpen door onrijpe, mannelijke door vrouwelijke, volwassenen door jeugdigen of kinderen.
Enerzijds brengt dus bij de voortzetting van de accumulatie een groter variabel kapitaal meer arbeid in beweging zonder meer arbeiders aan het werk te zetten, anderzijds brengt een variabel kapitaal van dezelfde grootte meer arbeid met dezelfde hoeveelheid arbeidskracht in beweging en zet ten slotte meer lagere arbeidskrachten aan het werk door verdringing van hogere arbeidskrachten.
De productie van een relatieve overbevolking of vrijmaking van arbeiders gaat dientengevolge nog sneller dan de toch al met de voortgang van de accumulatie versnelde technische revolutie in het productieproces en de daarmee gepaard gaande proportionele daling van het variabele kapitaaldeel vergeleken met het constante kapitaaldeel. Wanneer de productiemiddelen, als zij in omvang groeien en in effectiviteit stijgen, in mindere mate middelen worden voor de werkgelegenheid der arbeiders, wordt deze verhouding zelf weer gewijzigd door de omstandigheid dat, naarmate de arbeidsproductiviteit stijgt, het aanbod van arbeid sneller stijgt dan de vraag naar arbeid door het kapitaal. De overmatige arbeid van het werkende deel van de arbeidersklasse doet de rijen van haar reserve aanzwellen, terwijl omgekeerd de grotere druk, die de laatsten door hun concurrentie uitoefenen op de eersten, de werkende arbeiders, dwingt tot overmatige arbeid en tot onderwerping aan de eisen van het kapitaal. De veroordeling van een deel der arbeidersklasse tot een gedwongen nietsdoen door overmatige arbeid van het andere deel en omgekeerd wordt middel tot verrijking van de afzonderlijke kapitalist[83] en versnelt tevens de vorming van het industriële reserveleger op een schaal, die overeenkomt met de vooruitgang van de maatschappelijke accumulatie. Hoe belangrijk deze factor bij de vorming van een relatieve overbevolking is, wordt bijvoorbeeld in Engeland wel bewezen. In Engeland zijn de technische middelen tot ‘besparing’ op arbeid enorm. Maar wanneer morgen algemeen de arbeid tot rationele grenzen zou worden beperkt en voor de verschillende lagen van de arbeidersklasse in overeenstemming met leeftijd en geslacht zou worden verdeeld, zou de bestaande arbeidersbevolking absoluut ontoereikend zijn om de nationale productie op de huidige schaal voort te zetten. De grote meerderheid der arbeiders, die thans ‘onproductief’ zijn, zou in ‘productieve’ arbeiders moeten worden veranderd.
Over het algemeen wordt de algemene beweging van het arbeidsloon uitsluitend geregeld door expansie en contractie van het industriële reserveleger, die overeenkomen met de wisseling van perioden van de industriële cyclus. Zij worden dus niet bepaald door de veranderingen van de absolute omvang van de arbeidersbevolking, maar door de steeds wisselende verhouding, waarin de arbeidersklasse wordt gesplitst in een actief leger en een reserveleger, door de toeneming of afneming van de relatieve omvang van de overbevolking, door de mate waarin die bevolking nu eens wordt geabsorbeerd, dan weer wordt vrijgemaakt. Voor de moderne industrie met haar tienjarige cyclus en haar periodieke fasen, die bovendien bij de voortgang van de accumulatie door steeds sneller op elkaar volgende, onregelmatige schommelingen worden doorkruist, zou het inderdaad een fraaie wet zijn, die vraag en aanbod van arbeid niet door expansie en contractie van het kapitaal, dus door de steeds wisselende behoeften tot meerwaardevorming laat regelen (zodat de arbeidsmarkt nu eens relatief krap schijnt te zijn omdat expansie van kapitaal plaatsvindt, dan weer ruim schijnt te zijn omdat contractie van kapitaal plaatsvindt), maar omgekeerd de beweging van het kapitaal afhankelijk zou maken van de absolute beweging van de bevolkingsgrootte. En toch is dit het economisch dogma. Volgens dit dogma stijgt het arbeidsloon als gevolg van de accumulatie van kapitaal. Het gestegen arbeidsloon stimuleert een snellere vergroting van de arbeidersbevolking en deze duurt voort totdat de arbeidsmarkt overvoerd raakt, dus het kapitaal ten opzichte van het aanbod van arbeiders ontoereikend is geworden. Het arbeidsloon daalt en dan ziet men de keerzijde van de medaille. Door het dalende arbeidsloon wordt de arbeidersbevolking langzamerhand gedecimeerd, zodat het kapitaal ten opzichte van de arbeiders weer overvloedig wordt of, zoals anderen dit uitleggen, het dalende arbeidsloon en de daarmee gepaard gaande grotere uitbuiting van de arbeider versnelt de accumulatie weer, terwijl tegelijkertijd het lagere loon de groei van de arbeidersklasse in toom houdt. Dan treedt weer de toestand in, waarbij het aanbod van arbeid geringer is dan de vraag naar arbeid, het loon stijgt, enzovoort. Welk een fraaie bewegingswet is dit voor de ontwikkelde kapitalistische productie! Voordat als gevolg van de loonsverhoging enige positieve groei van de werkelijk tot arbeid in staat zijnde bevolking kan hebben plaatsgevonden, zou reeds lang de tijd zijn verstreken waarbinnen de industriële veldtocht moet worden gevoerd, de slag moet zijn geleverd en de beslissing moet zijn gevallen.
Tussen 1849 en 1859 vond tegelijk met een daling van de graanprijzen in de Engelse landbouwgebieden een loonsverhoging plaats, die in de praktijk alleen maar nominaal was. In Wiltshire bijvoorbeeld steeg het weekloon van 7s. tot 8s., in Dorsetshire van 7 of 8s. tot 9s., enzovoort. Dit was het gevolg van de buitengewone afvloeiing van de agrarische overbevolking, die werd veroorzaakt door de vraag naar soldaten, de enorme uitbreiding van spoorwegaanleg, fabrieken, mijnen, enzovoort. Hoe lager het arbeidsloon is, des te hoger wordt de loonstijging, zelfs de meest onbetekenende, wanneer deze in percenten wordt uitgedrukt. Bedraagt het weekloon bijvoorbeeld 20s. en vindt een stijging plaats tot 22s., dan is het een loonsverhoging van 10 %; bedraagt het weekloon daarentegen slechts 7s. en stijgt het tot 9s., dan is het een loonsverhoging van 284/7 %, hetgeen klinkt alsof het zeer veel is. In ieder geval weenden de boeren en babbelde zelfs de Londense Economist zeer ernstig over ‘een algemene en flinke vooruitgang’[84] wat betreft deze hongerlonen. Maar wat deden de boeren nu? Wachtten zij tot de landarbeiders zich ten gevolge van deze briljante betaling zodanig hadden vermeerderd dat hun loon weer zou moeten dalen ? Zo zouden de zaken zich volgens hun dogmatische, economische geest hebben moeten ontwikkelen. Zij voerden echter meer machines in en in een ommezien waren de arbeiders weer zó ‘overtollig’, dat zelfs de boeren dit voldoende achtten. Er was nu ‘meer kapitaal’ in een productievere vorm in de landbouw geïnvesteerd dan voorheen. Daardoor daalde de vraag naar arbeid niet alleen relatief, maar ook absoluut.
Deze economische fictie verwart de wetten, die de algemene beweging van het arbeidsloon of de verhouding tussen arbeidersklasse - dat wil zeggen de totale arbeidskracht - en het totale maatschappelijke kapitaal regelen, met de wetten die de arbeidersbevolking verdelen over de verschillende productietakken. Wanneer bijvoorbeeld ten gevolge van een gunstige conjunctuur in een bepaalde productietak de accumulatie bijzonder levendig is, de winsten daar hoger liggen dan de gemiddelde winst, additioneel kapitaal zich daar binnendringt, dan wordt daar natuurlijk de vraag naar arbeid groter en stijgt daar het arbeidsloon. Door het hogere arbeidsloon trekt de begunstigde productietak een groter deel van de arbeidersbevolking aan, totdat deze met arbeidskracht is verzadigd en het loon op de duur weer daalt tot het vroegere gemiddelde of, indien de toevloed te groot is geweest, beneden dit gemiddelde. Dan komt er niet alleen een einde aan het toestromen van arbeiders naar de betrokken bedrijfstak, maar vindt er zelfs een uittocht van arbeiders plaats. Hier meent de econoom te zien ‘waar en hoe’ met de stijging van het loon een absolute toeneming van het aantal arbeiders en met deze absolute toeneming van het aantal arbeiders een daling van het loon plaatsvindt, maar in feite ziet hij slechts de lokale schommeling op de arbeidsmarkt van een bepaalde productietak, ziet hij slechts de verschijnselen van de verdeling van de arbeidersbevolking over de verschillende gebieden van kapitaalinvestering, al naar gelang de variërende behoeften van het kapitaal.
Het industriële reserveleger drukt gedurende de perioden van stagnatie en matige bedrijvigheid op het actieve arbeidersleger en houdt gedurende de perioden van overproductie en koortsachtige activiteiten diens aanspraken in toom. De relatieve overbevolking vormt dus de achtergrond, waartegen de wet van vraag en aanbod van arbeid werkzaam is. Zij perst de speelruimte van deze wet binnen grenzen, die absoluut voordelig zijn voor de jacht op uitbuiting en voor de heerschappij van het kapitaal. Het is hier de plaats om terug te komen op één van de edele daden van de economische apologetiek. Men zal zich herinneren dat, wanneer door invoering van nieuwe of verbreiding van bestaande machines een stuk variabel kapitaal wordt omgezet in constant kapitaal, de economische apologeet deze handeling, die kapitaal ‘bindt’ en juist daardoor arbeiders ‘vrijmaakt’, omgekeerd zo uitlegt dat daardoor kapitaal voor de arbeider wordt vrijgemaakt. Pas nu kunnen wij de onbeschaamdheid van de apologeten op juiste waarde schatten. Wat wordt vrijgemaakt zijn niet alleen de direct door de machine verdrongen arbeiders, maar ook zowel hun plaatsvervangers als het additionele aantal arbeiders dat bij de gebruikelijke expansie van het bedrijf op oude basis zou zijn geabsorbeerd. Zij allen zijn thans ‘vrijgemaakt’ en ieder nieuw kapitaal, dat op belegging uit is, kan over hen beschikken. Onverschillig of dit kapitaal hen of anderen aantrekt, de uitwerking ervan op de algemene vraag naar arbeid zal gelijk nul zijn zolang dit kapitaal juist voldoende is om de markt van evenveel arbeiders te ontlasten als door de machines op de markt worden gegooid. Schept dit kapitaal werkgelegenheid voor een geringer aantal arbeiders, dan neemt het aantal overtolligen toe; schept het werkgelegenheid voor een groter aantal, dan stijgt de algemene vraag naar arbeid slechts met het overschot der werkende arbeiders boven de ‘vrijgemaakte’ arbeiders. De stoot, die de naar investering zoekende, additionele kapitalen anders zou hebben gegeven aan de algemene vraag naar arbeid, is dus in ieder geval geneutraliseerd voor zover het de door de machine op straat gezette arbeiders betreft. Dat betekent dus dat het mechanisme van de kapitalistische productie er voor zorg draagt dat de absolute groei van kapitaal niet gepaard gaat met een daarmee overeenkomende stijging van de algemene vraag naar arbeid. En dit noemt de apologeet een compensatie voor de ellende, het lijden en de mogelijke ondergang van de vervangen arbeiders gedurende de overgangsperiode, waarin zij naar het industriële reserveleger zijn verbannen! De vraag naar arbeid is niet identiek met de groei van het kapitaal en het aanbod van arbeid niet met de groei van de arbeidersklasse, zodat twee van elkaar onafhankelijke krachten op elkaar inwerken. Les dés sont pipés (de dobbelstenen zijn vervalst). Het kapitaal werkt van twee kanten tegelijk. Zo de accumulatie van kapitaal enerzijds de vraag naar arbeid doet toenemen, vergroot zij anderzijds het aanbod van arbeiders door hun ‘vrijmaking’, terwijl de druk van de werklozen tevens de werkende arbeiders dwingt meer arbeid te leveren, dus in zekere zin het aanbod van arbeid onafhankelijk maakt van het aanbod van arbeiders. De werking van de wet van vraag en aanbod van arbeid op deze basis voltooit het despotisme van het kapitaal. Zodra dus de arbeiders het geheim ontdekken hoe het komt dat naarmate zij meer werken, zij meer rijkdom voor anderen produceren en dat met de verhoging van hun arbeidsproductiviteit zelfs hun functie als middel tot meerwaardevorming van het kapitaal voor hen steeds onzekerder wordt; zodra zij ontdekken dat de intensiteit van hun onderlinge concurrentie geheel en al afhankelijk is van de druk van de relatieve overbevolking; zodra zij daarom door middel van vakverenigingen, enzovoort, een stelselmatige samenwerking tussen de werkende arbeiders en de werklozen trachten te organiseren ten einde de verwoestende gevolgen van deze natuurwet van de kapitalistische productie voor hun klasse op te heffen of te verzwakken, schreeuwt het kapitaal en zijn sycofant, de econoom, moord en brand over de schending van de ‘eeuwige’ en om zo te zeggen ‘heilige’ wet van vraag en aanbod. Iedere band tussen de werkende arbeiders en de werklozen verstoort namelijk het ‘zuivere’ spel van die wet. Zodra daarentegen ongunstige omstandigheden de schepping van het industriële reserveleger en daardoor de absolute afhankelijkheid der arbeidersklasse van de kapitalisten verhinderen — bijvoorbeeld in de koloniën — rebelleert het kapitaal, samen met zijn gemeenplaatsen uitkramende Sancho Panza, tegen de ‘heilige’ wet van vraag en aanbod en tracht die wet door dwangmiddelen een handje te helpen.
De relatieve overbevolking komt in alle mogelijke schakeringen voor. Iedere arbeider maakt hier deel van uit gedurende de tijd, waarin hij gedeeltelijk of helemaal geen werk heeft. Afgezien van de grote, periodiek terugkerende vormen — die haar worden opgelegd door de wisselingen van de industriële cyclus, zodat zij nu eens optreedt als een acuut verschijnsel tijdens de crisis, dan weer chronisch is in slappe tijden — bezit de relatieve overbevolking steeds drie vormen: een bewegende, een latente en een stilstaande vorm.
In de centra van de moderne industrie — fabrieken, manufacturen, hoogovens, mijnen, enzovoort — worden arbeiders nu eens afgestoten, dan weer in grotere getale aangetrokken, zodat over het geheel het aantal werkende arbeiders groter wordt, zij het ook in steeds dalende verhouding ten opzichte van de productieschaal. Hier bezit de overbevolking de bewegende vorm.
Zowel in de eigenlijke fabrieken als in alle grote werkplaatsen, waar machinerie wordt gebruikt of waar alleen maar de moderne arbeidsverdeling is doorgevoerd, heeft men massale hoeveelheden mannelijke arbeiders nodig die de jeugdige leeftijd nog niet zijn gepasseerd. Zijn zij eenmaal volwassen geworden, dan blijft slechts een zeer gering aantal van hen bruikbaar in dezelfde bedrijfstakken, terwijl het grootste deel regelmatig wordt ontslagen. Deze meerderheid vormt een bestanddeel van de bewegende overbevolking, dat toeneemt met de omvang van de industrie. Een deel van hen emigreert en volgt in feite alleen maar het kapitaal, dat in het buitenland wordt geïnvesteerd. Een van de gevolgen is dat de vrouwelijke bevolking sneller toeneemt dan de mannelijke, zoals we in Engeland kunnen zien. Het is een tegenstrijdigheid van de beweging van het kapitaal zelf dat de natuurlijke aanwas van de arbeidersmassa de behoeften tot accumulatie van het kapitaal niet bevredigt en desondanks tegelijkertijd deze te boven gaat. Het kapitaal heeft grotere aantallen arbeiders van jeugdige leeftijd nodig en minder volwassen arbeiders. Deze tegenstrijdigheid is niet minder in het oog springend dan de andere, namelijk dat geklaagd wordt over gebrek aan arbeiders, terwijl tegelijkertijd vele duizenden arbeiders op straat worden gezet, omdat de arbeidsverdeling hen ketent aan een bepaalde bedrijfstak.[85] Het verbruik van de arbeidskracht door het kapitaal vindt bovendien zo snel plaats, dat de arbeider van middelbare leeftijd meestal min of meer versleten is. Hij komt in de rijen der overtolligen terecht of hij wordt van een hogere trede naar een lagere gedrongen. Juist bij de arbeiders in de grootindustrie komen wij de kortste levensduur tegen. ‘Dr. Lee, ambtenaar van de volksgezondheid in Manchester, heeft berekend dat in die stad de gemiddelde levensduur van de gegoede klasse 38 jaar bedraagt, die van de arbeidersklasse slechts 17 jaar. In Liverpool is de gemiddelde levensduur voor de eerste categorie 35 jaar en voor de tweede 15 jaar. Hieruit volgt dat de bevoorrechte klasse een levensduur heeft, die meer dan dubbel zo lang is dan die van hun minder bevoorrechte medeburgers.’[85a] Onder deze omstandigheden moet de absolute groei van dit deel van het proletariaat een vorm aannemen, die het aantal doet toenemen ondanks dat de samenstellende delen snel worden verbruikt. Dus een snelle opeenvolging van generaties arbeiders (dezelfde wet geldt niet voor de andere klassen van de bevolking). Deze maatschappelijke behoefte wordt bevredigd door huwelijken op jonge leeftijd — een noodzakelijk gevolg van de omstandigheden, waaronder de arbeiders in de grootindustrie leven — en door de premie, die uitbuiting van de arbeiderskinderen op hun voortbrenging zet.
Zodra de kapitalistische productie zich meester heeft gemaakt van de landbouw neemt — afhankelijk van de mate waarin dit is geschied — met de accumulatie van het hier functionerende kapitaal de vraag naar arbeid van de plattelandsbevolking absoluut af zonder dat, zoals in alle andere industrietakken het geval is, hun afstoting wordt opgevangen door een grotere aantrekking. Een deel van de plattelandsbevolking staat dus voortdurend op het punt in het stedelijk of manufactuurproletariaat terecht te komen en wacht slechts op omstandigheden, die voor deze overgang gunstig zijn (manufactuur hier in de betekenis van alle industrie, uitgezonderd de landbouw).[86] Deze bron van de relatieve overbevolking stroomt dus onafgebroken. Maar deze voortdurende stroom naar de steden vooronderstelt op het platteland zelf een voortdurende, latente overbevolking, waarvan de omvang alleen maar duidelijk wordt zodra de afvoerkanalen bij uitzondering wijd open gaan. Het loon van de landarbeider wordt dus op het minimum gehouden en hij zelf staat steeds met één been in het moeras van het pauperisme.
De derde categorie van de relatieve overbevolking, de stilstaande, vormt een deel van het actieve arbeidersleger, maar bestaat uit personen voor wie de werkgelegenheid zeer onregelmatig is. Daarom vormt deze categorie voor het kapitaal een onuitputtelijk reservoir van beschikbare arbeidskracht. Hun levensniveau daalt beneden het gemiddelde, normale niveau van de arbeidende klasse en juist hierdoor vormt zij de brede grondslag voor de bijzondere takken van uitbuiting van het kapitaal. Zij wordt gekenmerkt door een maximum aan arbeidstijd en een minimum aan arbeidsloon. In de rubriek huisarbeid hebben wij hun voornaamste gedaante reeds ontmoet. Zij worden voortdurend gerekruteerd uit de overtolligen van de grootindustrie en de landbouw en in het bijzonder ook uit de ondergaande industrietakken, waar het ambachtsbedrijf door de manufactuur en de manufactuur door het machinale bedrijf is overwonnen. Hun aantal neemt toe naarmate de omvang en de kracht van de accumulatie het aantal overtolligen groter maakt. Maar zij vormen tevens een zichzelf reproducerend en bestendigend deel van de arbeidersklasse, dat in verhouding een groter aandeel aan de totale groei van de arbeidersklasse heeft dan de overige delen. In feite is niet alleen de hoeveelheid geboorten en sterfgevallen, maar ook de absolute grootte van de gezinnen omgekeerd evenredig met de hoogte van het arbeidsloon, dus omgekeerd evenredig met de hoeveelheid bestaansmiddelen, waarover de verschillende categorieën arbeiders beschikken. Deze wereld van de kapitalistische maatschappij zou voor de wilden of zelfs voor de geciviliseerde kolonisten een onzinnigheid zijn. Het doet denken aan de massale reproductie van individueel zwakke en veel vervolgde diersoorten.[87]
Ten slotte wordt de onderste laag van de relatieve overbevolking gevormd door de wereld van het pauperisme. Afgezien van vagebonden, misdadigers, prostituees, kortom het eigenlijke lompenproletariaat, bestaat deze laag van de samenleving uit drie categorieën. In de eerste plaats zij, die geschikt zijn om arbeid te verrichten. Men hoeft slechts een oppervlakkige blik op de statistiek van het Engelse pauperisme te werpen om te zien dat het aantal paupers met iedere crisis toeneemt en met iedere opleving van de handel afneemt. In de tweede plaats de wezen en de kinderen van paupers. Zij zijn kandidaten voor het industriële reserveleger en zij worden in perioden van grote opbloei, zoals bijvoorbeeld in 1860, snel en in grote getale in het actieve arbeidersleger opgenomen. In de derde plaats de verwaarloosden, de havelozen, zij die ongeschikt zijn voor de arbeid. Dit zijn voornamelijk personen, die ten ondergaan omdat zij als gevolg van de arbeidsverdeling niet in staat zijn zich aan andere omstandigheden aan te passen; verder diegenen, die ouder worden dan de normale leeftijd van de arbeider en ten slotte de slachtoffers van de industrie, wier aantal toeneemt met de uitbreiding van het gebruik van gevaarlijke machines, van mijnbouw, chemische fabrieken, enzovoort: verminkten, zieken, weduwen, enzovoort. Het pauperisme vormt het tehuis voor invaliden van het actieve arbeidersleger en het dode gewicht van het industriële reserveleger. Het ontstaan van het pauperisme ligt opgesloten in de voortbrenging van de relatieve overbevolking, de onvermijdelijkheid van het pauperisme is de onvermijdelijkheid van de relatieve overbevolking en met de relatieve overbevolking vormt het pauperisme een bestaansvoorwaarde van de kapitalistische productie en van de ontwikkeling van de rijkdom. Het behoort tot de faux frais (bijkomende kosten) van de kapitalistische productie, die het kapitaal echter grotendeels van eigen schouders weet af te wentelen op die van de arbeidersklasse of van de kleine middenstand.
Hoe groter de maatschappelijke rijkdom, het functionerende kapitaal, omvang en kracht van de groei van het kapitaal, dus ook de absolute grootte van het proletariaat en zijn arbeidsproductiviteit is, des te groter is het industriële reserveleger. De beschikbare arbeidskracht komt door dezelfde oorzaken tot ontplooiing als de expansiekracht van het kapitaal. De proportionele grootte van het industriële reserveleger neemt dus toe met de krachten van de rijkdom. Maar hoe groter dit reserveleger is in verhouding tot het actieve arbeidersleger, des te massaler is de geconsolideerde overbevolking, wier ellende in een omgekeerde verhouding staat tot de kwellingen van de arbeid. Hoe groter, ten slotte, de Lazaruslaag der arbeidersklasse en het industriële reserveleger is, des te groter is het officiële pauperisme. Dit is de absolute, algemene wet van de kapitalistische accumulatie. Deze wet wordt, evenals alle andere wetten, in haar werking door tal van omstandigheden gewijzigd; het is hier niet de plaats om er op in te gaan.
Men begrijpt de dwaasheid van de economische geleerdheid, die de arbeiders voorhoudt hun aantal aan te passen bij de behoeften tot meerwaardevorming van het kapitaal. Het mechanisme van de kapitalistische productie en accumulatie past dit aantal voortdurend bij de behoeften tot meerwaardevorming aan. Dit betekent allereerst dat deze aanpassing de vorming van een relatieve overbevolking of industrieel reserveleger inhoudt en ten slotte betekent het de ellende van steeds grotere lagen van het actieve arbeidersleger en het dode gewicht van het pauperisme.
De wet, volgens welke een steeds toenemende hoeveelheid productiemiddelen dank zij de ontwikkeling van de productiviteit van de maatschappelijke arbeid met een progressief dalende besteding van menselijke kracht in beweging kan worden gezet, vindt op kapitalistische grondslag — waar de arbeiders niet de arbeidsmiddelen, maar de arbeidsmiddelen de arbeider gebruiken — als volgt haar uitdrukking: hoe hoger de arbeidsproductiviteit is, des te groter is de druk van de arbeiders op de middelen voor hun werkgelegenheid en des te onzekerder dus zijn hun bestaansvoorwaarden, namelijk de verkoop van de eigen kracht ten bate van de vergroting van de rijkdom van anderen of van de meerwaardevorming van het kapitaal. Een toeneming van de productiemiddelen en van de arbeidsproductiviteit, die sneller plaatsvindt dan de groei van de productieve bevolking, wordt onder het kapitalisme omgekeerd zó uitgedrukt, dat de arbeidersbevolking steeds sneller groeit dan de behoefte van het kapitaal tot meerwaardevorming toeneemt.
In Afdeling IV zagen wij bij de analyse van de productie van de relatieve meerwaarde dat binnen het kapitalistische systeem alle methoden tot verhoging van de maatschappelijke arbeidsproductiviteit worden voltrokken ten koste van de individuele arbeider: alle middelen ter ontwikkeling van de productie worden middelen tot overheersing en uitbuiting van de producenten, verminken de arbeider tot een deelmens, vernederen hem tot een aanhangsel van de machine, vernietigen door de kwelling van de arbeid de inhoud van zijn arbeid, vervreemden hem in dezelfde mate van de geestelijke mogelijkheden van het arbeidsproces als waarin de wetenschap door het arbeidsproces als een zelfstandige kracht wordt ingelijfd. Zij misvormen de voorwaarden waaronder hij zijn arbeid verricht, onderwerpen hem gedurende het arbeidsproces aan een kleingeestig, hatelijk despotisme, maken van zijn levenstijd arbeidstijd, werpen zijn vrouw en kind onder het Jaggernaut-wiel [Noot van de vertaler: Jaggernaut was de Indische god, onder wiens wagen de gelovigen zich wierpen om verpletterd te worden.] van het kapitaal. Maar alle methoden tot voortbrenging van meerwaarde zijn tevens methoden van de accumulatie en iedere uitbreiding van de accumulatie wordt omgekeerd een middel tot ontwikkeling van die methoden. Hieruit volgt dus dat naarmate het kapitaal accumuleert, de toestand van de arbeider — ongeacht of hij veel of weinig betaald krijgt — wel slechter moet worden. De wet, ten slotte, die de relatieve overbevolking of het industriële reserveleger steeds in evenwicht houdt met de omvang en de kracht van de accumulatie, smeedt de arbeider vaster aan het kapitaal dan Prometheus door de kluisters van Hefaestus aan de rotsen werd geketend. Accumulatie van kapitaal vereist een daarmee overeenkomende accumulatie van ellende. De accumulatie van rijkdom aan de ene kant is dus tevens accumulatie van ellende, kwelling van arbeid, slavernij, onwetendheid, onmenselijkheid en zedelijke ontaarding aan de andere kant, dat wil zeggen aan de kant van de klasse, die haar eigen product voortbrengt als kapitaal.
Economen hebben op verschillende manieren gewezen op dit antagonistisch karakter van de kapitalistische accumulatie,[88] hoewel zij dit verwarren met weliswaar analoge, maar toch wezenlijk verschillende verschijnselen van voorkapitalistische productiewijzen.
De Venetiaanse monnik Ortes, één der grootste schrijvers over economie uit de achttiende eeuw, beschouwt het antagonisme van de kapitalistische productie als een algemene natuurwet van de maatschappelijke rijkdom. ‘Het economisch goede en het economisch slechte staan bij een volk altijd in evenwicht, de overvloed aan goederen voor enigen is altijd gelijk aan het gebrek aan goederen voor anderen. Grote rijkdom voor enigen gaat altijd gepaard met absolute beroving van het noodzakelijke bij een veel groter aantal anderen. De rijkdom van een volk komt overeen met zijn bevolking en de ellende van een volk komt overeen met zijn rijkdom. De ijver van sommigen dwingt tot lediggang voor anderen. De armen en werklozen zijn een noodzakelijk gevolg van de rijken en werkenden, enzovoort.’[89] Ongeveer tien jaar na Ortes verheerlijkte de protestantse dominee Townsend van de Church of England op zeer grove wijze de armoede als een noodzakelijke voorwaarde van de rijkdom. ‘Wettelijke dwang tot arbeid gaat gepaard met te veel moeite, geweld en rumoer, terwijl de honger niet alleen een vrediger, rustiger en aanhoudender druk uitoefent, maar ook als de meest natuurlijke drijfkracht tot vlijt en arbeid de grootste inspanning teweegbrengt.’ Alles komt er dus op aan de honger onder de arbeidersklasse permanent te maken en volgens Townsend zorgt het bevolkingsbeginsel, dat in het bijzonder onder de armen werkzaam is, hiervoor. ‘Het schijnt een natuurwet te zijn dat de armen in zekere mate onvoorzichtig zijn (namelijk zo onvoorzichtig om zonder een gouden lepel in de bek op de wereld te komen -M.), zodat er steeds een aantal aanwezig is voor de uitvoering van de meest onderworpen, smerigste en verachtelijkste functies van de samenleving. Het fonds van menselijk geluk wordt daardoor sterk vergroot, de fijngevoeliger mensen worden niet alleen bevrijd van geestdodende arbeid, maar kunnen zich ongestoord wijden aan een hogere roeping, enzovoort. . . De armenwet bezit de neiging de harmonie en schoonheid, de symmetrie en orde van dit systeem, dat door God en de natuur op de wereld is gevestigd, te vernietigen.’[90] Terwijl de Venetiaanse monnik het noodlot, dat de ellende vereeuwigt, beschouwde als de rechtvaardiging van bestaan van de Christelijke liefdadigheid, van het celibaat, van de kloosters en vrome stichtingen, vindt de protestantse dominee daarentegen hierin het voorwendsel om de wetten te veroordelen, krachtens welke de arme een recht bezat op een karige aalmoes uit de openbare kas. — ‘De vooruitgang van de maatschappelijke rijkdom,’ zo schrijft Storch, ‘brengt die nuttige klasse van de samenleving voort. . . die de vervelendste, laagste en afschuwelijkste werkzaamheden verricht, kortom al datgene wat het leven bezit aan onaangenaams en onderdanigs op haar schouders neemt en juist daardoor de andere klassen de tijd, helderheid van geest en conventionele (c’est bon! -M.) waardigheid verschaft, enzovoort.’[91] Storch vraagt zich af wat dan eigenlijk het voordeel is van deze kapitalistische beschaving met haar ellende en ontaarding van de massa boven de barbaarsheid. Hij vindt maar één antwoord — de veiligheid! ‘Dank zij de vooruitgang van industrie en wetenschap,’ schrijft Sismondi, ‘kan iedere arbeider iedere dag veel meer produceren dan hij voor zijn eigen consumptie nodig heeft. Maar zou hij, op het moment dat zijn arbeid de rijkdom produceert, geroepen zijn die rijkdom zelf te consumeren, dan zou de rijkdom hem weinig geschikt voor de arbeid maken.’ Volgens hem ‘zouden de mensen (dat wil zeggen de niet-arbeiders -M.) waarschijnlijk afzien van alle kunstzinnige verbeteringen en van alle geneugten, die de industrie ons biedt, wanneer zij deze, evenals de arbeiders, door onafgebroken arbeid zouden moeten verwerven. . . Tegenwoordig zijn de inspanningen gescheiden van hun beloning; het is niet dezelfde mens, die eerst werkt en daarna uitrust: integendeel, juist terwijl de ene werkt, moet de andere uitrusten. . . De eindeloze verveelvoudiging van de arbeidsproductiviteit kan dus tot geen ander resultaat leiden dan tot toeneming van de weelde en van de geneugten van de niets doende rijken.’[92] — Destutt de Tracy, de koudbloedige bourgeoisdoctrinair, zegt het ten slotte op ruwe wijze: ‘De arme landen zijn die landen, waar het volk het goed heeft en de rijke landen zijn die landen, waar het volk gewoonlijk arm is.’[93]
Voor de studie van de kapitalistische accumulatie is geen enkele periode van de moderne samenleving zo gunstig als die van de afgelopen twintig jaar. Het leek alsof men de onuitputtelijke geldbuidel van Fortunatus had gevonden. Engeland levert weer van alle landen het klassieke voorbeeld, omdat dit land de eerste plaats inneemt op de wereldmarkt, omdat de kapitalistische productiewijze alleen daar volledig tot ontwikkeling is gekomen en, ten slotte, omdat de invoering van het duizendjarige rijk van de vrijhandel sedert 1846 de vulgair-economie de laatste pas heeft afgesneden. In Afdeling IV heb ik reeds voldoende aanwijzingen gegeven wat betreft de reusachtige ontwikkeling van de productie, waarbij de tweede helft van de twintigjarige periode de eerste helft weer heeft overvleugeld.
Ofschoon de absolute groei van de Engelse bevolking in de laatste vijftig jaar zeer groot was, daalde de proportionele groei of het groeipercentage voortdurend, zoals blijkt uit de volgende tabel, die ontleend is aan de officiële volkstelling:
Laten wij nu aan de andere kant de toeneming van de rijkdom bekijken. Het meest betrouwbare aanknopingspunt is hier de beweging van de aan inkomstenbelasting onderworpen winsten, grondrente, enzovoort. De toeneming van de aan belasting onderhevige winsten (exclusief boeren en enige andere categorieën) bedroeg voor Groot-Brittannië in de periode 1853-64 50,47 % (of een jaarlijks gemiddelde van 4,58 %)[94], terwijl de bevolkingsgroei in dezelfde periode ongeveer 12 % bedroeg. De toeneming van de belastbare grondrente (inclusief huizen, spoorwegen, mijnen, visserijen, enzovoort) bedroeg in de periode 1853-64, 38 % of 35/12 % per jaar, van welke groei de volgende rubrieken het grootste aandeel hadden:
Wanneer men de drie vierjarige perioden uit de jaren 1853-64 vergelijkt, zien we een voortdurende stijging van het groeitempo van het inkomen. Voor het inkomen bijvoorbeeld, dat voortvloeit uit winsten, is de jaarlijkse groei voor de periode 1853-57, 1,73 % voor de periode 1857-61 2,74 % en voor de periode 1861-64 9,30 %. Het totale bedrag van de aan inkomstenbelasting onderworpen inkomens bedroeg voor het Verenigd Koninkrijk:
De accumulatie van het kapitaal ging tevens gepaard met concentratie en centralisatie van kapitaal. Hoewel voor Engeland geen officiële landbouwstatistiek bestond (wel echter voor Ierland), werden de cijfers op vrijwillige basis geleverd door tien graafschappen. Uit deze cijfers bleek dat in 1861 vergeleken met 1851 het aantal pachthoeven met minder dan 100 acres was gedaald van 31.583 tot 26.567, waaruit blijkt dat 5.016 pachthoeven met grotere pachthoeven waren samengevoegd.[97] In de periode 1815-25 viel geen enkel roerend vermogen van meer dan £1.000.000 onder de successierechten, in de periode 1825-55 daarentegen acht, van 1856 tot juni 1859 (dat wil zeggen in 41/2 jaar) vier.[98] De centralisatie van kapitaal komt echter het duidelijkst tot uiting bij een korte analyse van de inkomstenbelasting voor rubriek D (winsten, uitgezonderd winsten in landbouwbedrijven, enzovoort) voor de jaren 1864 en 1865. Hierbij zij vooraf opgemerkt dat voor inkomens uit deze bron vanaf £60 inkomstenbelasting moet worden betaald. Deze belastbare inkomens bedroegen in Engeland, Wales en Schotland in 1864: £95.844.222 en in 1865: £105.435.579[99]; het aantal aangeslagenen bedroeg in 1864: 308.416 op een totale bevolking van 23.891.009 personen en in 1865: 332.431 op een totale bevolking van 24.127.003 personen. De volgende tabel geeft de verdeling van deze inkomens voor beide jaren:
In het Verenigd Koninkrijk werd in 1855 61.453.079 ton kolen geproduceerd ter waarde van £16.113.167 en in 1864 92.787.873 ton kolen ter waarde van £23.197.968; in 1855 bedroeg de productie van ruw ijzer 3.218.154 ton met een waarde van £8.045.385 en in 1864 4.767.951 ton met een waarde van £11.919.877. In 1854 was de lengte van het in het Verenigd Koninkrijk geëxploiteerde spoorwegnet 8.054 mijl met een gestort kapitaal van £286.068.794 en in 1864 een lengte van 12.789 mijl met een gestort kapitaal van £425.719.613. De totale in- en uitvoer van het Verenigd Koninkrijk bedroeg in 1854 £268.210.145 en in 1865 £489.923.285. De volgende tabel geeft de beweging van de uitvoer aan:
Na deze enkele gegevens begrijpt men de triomfantelijke uitroep van het hoofd van de Engelse bevolkingsdienst: ‘Hoe snel de bevolking ook toenam, zij heeft geen gelijke tred gehouden met de groei van de industrie en van de rijkdom.’[101] Laten wij nu eens kijken naar de directe agenten van deze industrie of de producenten van deze rijkdom: de arbeidersklasse. ‘Het is één van de verdrietigste kenmerken van de maatschappelijke toestand in dit land,’ zo verklaart Gladstone, ‘dat bij een daling van de consumptiekracht van het volk en een toeneming van de ontberingen en van de ellende van de arbeidende klasse gelijktijdig een voortdurende accumulatie van rijkdom in de hogere lagen en een onafgebroken groei van kapitaal plaatsvindt.’[102] Aldus sprak deze stichtelijke minister in het Lagerhuis op 13 februari 1843. Op 16 april 1863, twintig jaar later, zei hij in een redevoering bij de indiening van de begroting: ‘Van 1842 tot 1852 nam het belastbare inkomen van dit land met 6 % toe. . . Gedurende de acht jaren van 1853 tot 1861 nam het, wanneer we 1853 als basis nemen, met 20 % toe. Dit feit is zo verbazingwekkend, dat het bijna ongelofelijk is. . . Deze bedwelmende toeneming van rijkdom en macht. . . is geheel en al tot de bezittende klasse beperkt. . . Maar zij moet indirect ook aan de arbeidende bevolking ten goede komen, omdat hierdoor de waren van de algemene consumptie goedkoper worden — terwijl de rijken rijker zijn geworden, zijn de armen in ieder geval minder arm geworden. Hiermee wil ik niet beweren dat de grootste armoede minder is geworden.’[103] Welk een laffe anticlimax! Wanneer de arbeidersklasse ‘arm’ is gebleven, alleen ‘minder arm’ in verhouding tot de voor de klasse van het eigendom voortgebrachte ‘bedwelmende toeneming van rijkdom en macht’, dan is zij relatief even arm gebleven. Wanneer de grootste armoede niet kleiner is geworden, dan is deze groter geworden, omdat de grootste rijkdom is toegenomen. Wat betreft het goedkoper worden van de bestaansmiddelen, toont de officiële statistiek — bijvoorbeeld de gegevens van het Londense weeshuis — voor het gemiddelde van de drie jaren 1860-62 vergeleken met de jaren 1851-53 een prijsstijging van 20 % aan. In de volgende drie jaren, 1863-65, zien we een toenemende prijsstijging van vlees, boter, melk, suiker, zout, steenkool en van een groot aantal andere noodzakelijke bestaansmiddelen.[104] De volgende begrotingsrede van Gladstone op 7 april 1864 is een vurige lofzang op de vooruitgang van de winstmakerij en op het door ‘armoede’ getemperde geluk van het volk. Hij heeft het over massa’s ‘die aan de rand van het pauperisme’ staan, over bedrijfstakken ‘waar het loon niet is gestegen’ en hij vat ten slotte het geluk van de arbeidersklasse samen in de woorden: ‘in negen van de tien gevallen is het menselijke leven een loutere strijd om het bestaan’.[105] Professor Fawcett, die niet zoals Gladstone door zijn ambt een zekere consideratie aan de dag moet leggen, verklaart ronduit: Ik ontken natuurlijk niet dat het geldloon met deze vergroting van het kapitaal (in de laatste tien jaar -M.) is gestegen, maar dit schijnbare voordeel gaat voor een groot deel weer verloren omdat vele levensbehoeften steeds duurder worden (volgens hem door een daling van de waarde van de edele metalen -M.). . . De rijken worden snel rijker, terwijl geen verbetering in het welzijn van de arbeidende klasse is waar te nemen. . . De arbeiders worden bijna slaven van de winkeliers, bij wie zij in de schuld staan.’[106]
In de Afdelingen over de arbeidsdag en de machinerie hebben wij gezien onder welke omstandigheden de Engelse arbeidersklasse een ‘bedwelmende toeneming van rijkdom en macht’ voor de bezittende klasse creëerde. Maar daar hielden we ons in het bijzonder bezig met de arbeider tijdens de uitoefening van zijn maatschappelijke functie. Om echter de wet van de accumulatie in haar volle omvang te begrijpen moeten we ook de situatie van de arbeider buiten de werkplaats bekijken, moeten we nagaan hoe hij zich voedt en hoe hij woont. De omvang van dit boek noodzaakt ons de aandacht in de eerste plaats te richten op het slechtst betaalde deel van het industriële proletariaat en van de landbouwarbeiders, dat wil zeggen de meerderheid van de arbeidersklasse.
Maar eerst nog een opmerking over het officiële pauperisme of dat deel van de arbeidersklasse, dat haar bestaansvoorwaarde — verkoop van arbeidskracht — heeft verloren en vegeteert van aalmoezen uit de openbare kas. De officiële lijst van paupers telde in Engeland[107] in 1855: 851.369, in 1856: 877.767 en in 1865: 971.433 personen. Ten gevolge van de katoennood steeg hun aantal in 1863 en 1864 tot respectievelijk 1.079.382 en 1.014.978 personen. De crisis van 1866, die Londen het zwaarste trof, veroorzaakte in dit centrum van de wereldhandel — dat een grotere bevolking omvat dan het koninkrijk Schotland — voor 1866 een toeneming van het aantal paupers met 19,5 % vergeleken met 1865 en van 24,4 % vergeleken met 1864; vergeleken met 1866 was de toeneming gedurende de eerste maanden van 1867 nog groter. Bij de analyse van de statistieken van het pauperisme moeten we twee punten op de voorgrond plaatsen. In de eerste plaats weerspiegelen de toe- en afnemingen van het aantal paupers de periodieke bewegingen van de industriële cyclus. In de tweede plaats wordt de officiële statistiek over de werkelijke omvang van het pauperisme steeds onbetrouwbaarder naarmate met de accumulatie van het kapitaal de klassenstrijd en daardoor het gevoel van eigenwaarde bij de arbeider tot ontwikkeling komen. Zo is bijvoorbeeld de barbaarse behandeling van de paupers, waarover de Engelse pers (Times, Pall Mall Gazette, enzovoort) gedurende de laatste twee jaar zoveel drukte maakte, van oude datum. In 1844 constateerde Friedrich Engels precies dezelfde gruwelen en precies hetzelfde voorbijgaande, schijnheilige en tot de ‘sensatieliteratuur’ behorende geweeklaag. Maar de vreselijke toeneming van de hongerdood (death by starvation) in Londen gedurende de laatste tien jaar bewijst zonder enige twijfel de groter geworden afschuw bij de arbeiders van de slavernij van het armhuis,[108] de strafinrichting van de ellende.
Laten we nu de toestand bekijken van de slechtst betaalde lagen van de industriële arbeidersklasse. Tijdens de katoennood van 1862 werd dr. Smith van de Privy Council belast met een onderzoek naar de voeding van de weggekwijnde katoenarbeiders in Lancashire en Cheshire. Langdurige waarnemingen in vroegere jaren hadden hem tot de overtuiging gebracht dat ‘om ziekten van verhongering te vermijden’ de dagelijkse voeding voor een gemiddelde arbeidster ten minste 3.900 grein koolstof en 180 grein stikstof zou moeten bevatten, de dagelijkse voeding van een gemiddelde man tenminste 4.300 grein koolstof en 200 grein stikstof; voor de vrouw is dat ongeveer even veel voedingsstof als in twee pond goed tarwebrood zit, voor de man 1/9 meer. Voor het weekgemiddelde van vrouwelijke en mannelijke volwassenen komt dit neer op tenminste 28.600 grein koolstof en 1.330 grein stikstof. De feiten bevestigden zijn berekening op een verrassende wijze doordat het klopte met de jammerlijke hoeveelheid voeding, waartoe de nood de consumptie van de katoenarbeiders had verlaagd. De voeding bevatte in december 1862 19.211 grein koolstof en 1.295 grein stikstof per week.
In 1863 gelastte de Privy Council een onderzoek naar de noodtoestand onder het slechtst gevoede deel van de Engelse arbeidersklasse. Dr. Simon, medisch ambtenaar van de Privy Council, droeg dit onderzoek op aan de hierboven vermelde dr. Smith. Zijn onderzoek strekt zich uit enerzijds over de landarbeiders, anderzijds over zijdewevers, naaisters, vervaardigers van leren handschoenen, kousenwevers, handschoenenwevers en schoenmakers. De laatste categorie omvat, uitgezonderd de kousenwevers, uitsluitend stedelijke arbeiders. Er werd bepaald dat voor het onderzoek uit iedere categorie de gezondste en relatief meest welgestelde gezinnen zouden worden uitgezocht.
Uit het algemene resultaat van het onderzoek bleek, dat ‘slechts in één van de onderzochte categorieën van stedelijke arbeiders de hoeveelheid stikstof het absolute minimum — waaronder ziekten door verhongering zich voordoen — een weinig overschreed, dat in twee categorieën zowel gebrek aan stikstofhoudende als aan koolstofhoudende voeding voorkwam en in één van de categorieën zelfs sprake was van een zeer groot gebrek, dat van de onderzochte gezinnen van de landarbeiders meer dan 1/5 koolstofhoudende voeding ontving welke minder was dan de onontbeerlijke hoeveelheid en dat meer dan 1/3 minder stikstofhoudende voeding kreeg dan de onontbeerlijke hoeveelheid en dat in drie graafschappen (Berkshire, Oxfordshire en Somersetshire) gemiddeld het minimum aan stikstofhoudende bestanddelen van het voedsel niet werd bereikt’.[109] Van de landarbeiders waren die uit Engeland, het rijkste gebied in het Verenigd Koninkrijk, het slechtst gevoed.[110] Van de ondervoeding onder de landarbeiders waren over het algemeen voornamelijk vrouwen en kinderen het slachtoffer, want ‘de man moet eten om zijn arbeid te verrichten’. Nog groter gebrek heerste er onder de onderzochte categorieën stedelijke arbeiders. ‘Zij zijn zo slecht gevoed, dat onder hen vele gevallen van gruwelijke en voor de gezondheid funeste ontbering (dit alles is ‘onthouding’ van de kapitalist, namelijk onthouding van betaling van de voor het naakte bestaan van zijn arbeiders onontbeerlijke bestaansmiddelen! -M.) moeten voorkomen.’[111]
Aan de hand van de volgende tabel kunnen we een vergelijking maken tussen de voeding van de hierboven genoemde categorieën stedelijke arbeiders, het door dr. Smith aangenomen minimum en de voeding van de katoenarbeiders gedurende de periode van hun grootste ellende:
De helft — om precies te zijn 60/125 — der onderzochte categorieën industriële arbeiders kreeg helemaal geen bier en 28 % totaal geen melk. Het wekelijks gemiddelde van vloeibare voedingsmiddelen in de gezinnen varieerde van 7 ons bij de naaisters tot 243/4 ons bij de kousenwevers. De naaisters van Londen vormden de meerderheid van hen, die geen melk kregen. De hoeveelheid wekelijks geconsumeerd brood varieerde van 73/4 pond bij de naaisters tot 111/4 pond bij de schoenmakers; het totale gemiddelde per volwassene bedroeg 9,9 pond per week. Suiker (stroop, enzovoort) varieerde van 4 ons per week voor de vervaardigers van leren handschoenen tot 11 ons per week voor de kousenwevers; het totale gemiddelde per week voor alle categorieën per volwassene bedroeg 8 ons. Het totale wekelijks gemiddelde aan boter (vet, enzovoort) bedroeg per volwassene 5 ons. Het wekelijks gemiddelde aan vlees (spek, enzovoort) varieerde per volwassene van 71/4 ons bij de zijdewevers tot 181/4 ons bij de vervaardigers van leren handschoenen; het totale gemiddelde voor de verschillende categorieën bedroeg 13,6 ons. Het algemeen gemiddelde per volwassene van de kosten van voeding per week bedroeg voor de zijdewevers 2s.21/2d., voor de naaisters 2s.7d., voor de vervaardigers van leren handschoenen 2s.91/2d., voor de schoenmakers 2s.73/4d. en voor de kousenwevers 2s.61/4d. Voor de zijdewevers van Macclesfield bedroeg het wekelijks gemiddelde slechts 1s.81/2d. De slechtst gevoede categorieën waren de naaisters, de zijdewevers en de vervaardigers van leren handschoenen.[113]
In zijn algemeen rapport over de gezondheidstoestand schrijft dr. Simon over deze voeding: ‘Een ieder, die bekend is met de medische praktijk onder de Armenwet of met de ziekenhuizen en met de patiënten die buiten de inrichtingen worden verpleegd, zal erkennen dat er een zeer groot aantal gevallen bestaan, waarin door gebrek aan voeding ziekten worden veroorzaakt of worden verergerd. . . Vanuit het standpunt van de gezondheidszorg speelt hierbij nog een ander, zeer belangrijk punt een rol. . . Men dient te bedenken dat gebrek aan voedingsmiddelen slechts met grote tegenzin wordt verdragen en dat gewoonlijk een groot gebrek aan voeding door andere ontberingen wordt voorafgegaan. Lang voordat het gebrek aan voeding in hygiënisch opzicht een rol speelt en lang voordat de fysioloog er over denkt de greinen stikstof en koolstof te tellen, die het verschil uitmaken tussen leven en hongerdood, zal het huishouden reeds geheel en al zijn beroofd van alle materiële comfort. Kleding en verwarming zullen nog wel gebrekkiger zijn geweest dan het eten. Geen voldoende bescherming tegen de ruwheid van het weer; de woonruimte zodanig beperkt, dat daardoor ziekten ontstaan of worden verergerd; nauwelijks een spoor van huisraad of meubels; zelfs de inachtneming van de zindelijkheid zal te kostbaar of te moeilijk zijn geworden. Voor zover uit gevoelens van eigenwaarde nog pogingen werden gedaan de zindelijkheid in acht te nemen, betekende iedere poging in die richting een verscherping van de honger. Het huiselijk leven zal zich daar afspelen, waar men het goedkoopste onder dak is: in wijken, waar de gezondheidsinspectie het minst kan uitvoeren, waar de rioleringen het slechtst zijn, de straatreiniging minimaal is, het meeste vuilnis ligt, de watervoorziening slecht of jammerlijk is en, in de steden, waar het grootste gebrek bestaat aan licht en lucht. Het zijn deze gevaren voor de gezondheid, waaraan de mensen, die armoede lijden, onvermijdelijk blootstaan, wanneer deze armoede gebrek aan voedsel insluit. En indien deze euvelen een vreselijke uitwerking hebben op het leven, zo is het enkele gebrek aan voedsel op zichzelf al zeer ernstig. . . Dit zijn pijnlijke gedachten, vooral wanneer men bedenkt dat de armoede, waarvan hier sprake is, niet de aan zichzelf te wijten armoede van de luilakkerij is. Het is de armoede van de arbeidende bevolking. En wat de stedelijke arbeider betreft is de arbeid, dank zij welke hij in staat is het karige voedsel te kopen, wat tijdsduur betreft, gewoonlijk buitensporig lang. En desondanks kan men alleen maar onder groot voorbehoud beweren dat deze arbeid in eigen behoeften voorziet. . . Deze nominale instandhouding door eigen arbeid kan in zeer grote omvang slechts een kortere of langere omweg tot het pauperisme zijn.’[114]
Slechts met kennis van de economische wetten kan men de nauwe samenhang begrijpen tussen de honger van het meest werkzame deel der arbeiders en de op kapitalistische accumulatie gebaseerde grove of geraffineerde, buitensporige consumptie van de rijken. Met de woningtoestand ligt dit anders. Iedere onbevooroordeelde waarnemer ziet dat hoe massaler de centralisatie der productiemiddelen is des te groter de daarbij behorende opeenhoping van arbeiders in dezelfde ruimte; anders gezegd: hoe sneller de kapitalistische accumulatie, des te jammerlijker de woningtoestand der arbeiders. De met de groei gepaard gaande ‘verbeteringen’ der steden door het slopen van slecht gebouwde wijken, het oprichten van paleizen voor banken, warenhuizen, enzovoort, het verbreden van de straten voor handelsverkeer en voor de luxueuze karossen, voor de aanleg van paardentrams, enzovoort, verjagen de armen naar steeds slechtere en steeds meer overbevolkte schuilhoeken. Aan de andere kant weet iedereen dat de duurte van de woningen in een omgekeerde verhouding staat tot hun kwaliteit en dat de speculanten in huizen met meer winst en minder kosten deze mijnen van ellende exploiteren dan indertijd de mijnen van Potosi werden geëxploiteerd. Het antagonistische karakter van de kapitalistische accumulatie en dus van de kapitalistische eigendomsverhoudingen in het algemeen[115] zijn hier zó duidelijk, dat zelfs de officiële Engelse rapporten wemelen van heterodoxe uitvallen op het ‘eigendom en zijn rechten’. Met de ontwikkeling van de industrie, de accumulatie van het kapitaal, de groei en de ‘verfraaiing’ der steden nam dit euvel een zodanige omvang aan, dat alleen uit vrees voor besmettelijke ziekten — die ook de ‘fatsoenlijke wijken’ niet ontzien — in de periode 1847-64 niet minder dan tien wetten op het gebied van de gezondheidszorg werden aangenomen en dat de geschrokken burgerij in enkele steden (Liverpool, Glasgow, enzovoort) de gemeentebesturen liet ingrijpen. Desondanks roept dr. Simon in zijn rapport van 1865 uit: ‘In het algemeen gesproken staan de misstanden in Engeland niet onder controle.’ Op bevel van de Privy Council vond in 1864 een onderzoek plaats naar de woning toestanden onder de landarbeiders en in 1865 naar de woningtoestanden onder de arme klassen in de steden. De resultaten van de meesterlijke werkzaamheden van dr. Julian Hunter kan men vinden in het zevende en achtste rapport over de Public Health. Ik kom later terug op de landarbeiders. Wat betreft de woningtoestanden in de steden laat ik eerst de volgende, algemene opmerking van dr. Simon voorafgaan: ‘Ofschoon ik officieel slechts als arts spreek, laat de normale menselijkheid het niet toe de andere zijde van dit kwaad te verzwijgen. Vanaf een zeker punt brengt de woningnood vrijwel noodzakelijk een zodanige verloochening van alle kiesheid, een zo smerige vermenging van lichamen en lichamelijke functies, zulk een onthulling van geslachtelijke naaktheid met zich mee, die beestachtig en niet meer menselijk zijn. Onderworpen te zijn aan deze invloeden is een vernedering, die ernstiger wordt naarmate men er langer aan blootstaat. Voor de kinderen, die onder deze vloek geboren zijn, is het een doop tot schande. Het is volslagen hopeloos te menen dat personen, die onder dergelijke omstandigheden leven, in andere opzichten ooit zullen streven zich te verheffen tot die sfeer der beschaving, wier essentie ligt in lichamelijke en zedelijke reinheid.’[116]
Wat betreft de overvolle en ook voor menselijke behuizing absoluut onmogelijke woonruimten neemt Londen de eerste plaats in. ‘Twee dingen,’ schrijft dr. Hunter, ‘zijn zeker; in de eerste plaats telt Londen ongeveer twintig grote kolonies van ieder ongeveer 10.000 personen, wier jammerlijke situatie alles overtreft wat ooit elders in Engeland is aanschouwd en de oorzaak hiervan is vrijwel uitsluitend de slechte behuizing; in de tweede plaats is de overvolle en vervallen toestand van de huizen in deze kolonies veel slechter dan twintig jaar geleden.’[117] ‘Het is niet te veel gezegd wanneer men beweert dat het leven in vele delen van Londen en Newcastle een hel is.’[118]
Ook het beter gesitueerde deel van de arbeidersklasse ondergaat, samen met de kleine winkeliers en anderen uit de lage middenstand, in Londen steeds meer de vloek van deze onwaardige woningtoestanden naarmate de ‘verbeteringen’ en daarmee het slopen van oude straten en huizen voortgang vinden, naarmate het aantal fabrieken toeneemt en daardoor de toevoer van mensen groter wordt en, ten slotte, naarmate de huishuren mét de stedelijke grondrente stijgen. ‘De huishuren zijn zo hoog geworden, dat weinig arbeiders meer dan één kamer kunnen betalen.’[119] Er is bijna geen huizenbezit in Londen, dat niet belast is met een groot aantal middlemen (tussenpersonen). In verhouding tot de jaarlijkse opbrengsten is de prijs van de grond in Londen namelijk altijd zeer hoog, omdat iedere koper er op speculeert vroeger of later de grond weer te kunnen verkopen tegen een jury price (een door een jury vastgestelde prijs bij onteigening) of er op speculeert een buitengewone waardeverhoging bijeen te kunnen zwendelen dank zij de omstandigheid dat een of andere onderneming wordt gevestigd in de nabijheid van zijn grond. Het gevolg hiervan is een geregelde handel in de aankoop van huurcontracten, die hun vervaldatum naderen. ‘Van de heren in dit soort zaken kan men verwachten dat zij op hun eigen manier te werk gaan: zoveel mogelijk uit de bewoners van het huis halen en het huis zelf in een zo jammerlijk mogelijke toestand aan hun opvolgers overdragen.’[120] De huren worden per week geïnd en de heren lopen geen risico. Ten gevolge van de aanleg van spoorwegen binnen de stad ‘zag men onlangs in het oosten van Londen een aantal gezinnen, die uit hun oude woningen waren verjaagd, op een zaterdagavond rondzwerven met hun weinige wereldse bezittingen op de rug en met voor zich geen andere rustplaats dan het armhuis.’[121] Men is maar pas begonnen met de uitvoering van de door het parlement toegestane ‘verbeteringen’ en de armhuizen zijn reeds overvol. Wanneer de arbeiders door vernietiging van hun oude huizen worden verjaagd, verlaten zij niet hun parochie of vestigen zij zich hoogstens in de onmiddellijke nabijheid aan de grenzen van de parochie. ‘Zij trachten natuurlijk zo dicht mogelijk bij hun werkplaatsen te wonen. Het gevolg is dat een gezin, dat twee kamers bewoonde, nu met één kamer genoegen moet nemen. Zelfs bij een hogere huur wordt de behuizing slechter dan de slechte woning, waaruit zij werden verjaagd. De helft van de arbeiders in de Strand moet reeds een afstand van twee mijl afleggen om bij de werkplaats te komen.’ Dezelfde Strand — een hoofdstraat, die op de vreemdeling een imposante indruk van de rijkdom van Londen maakt — kan dienen als voorbeeld van de wijze waarop in Londen de mensen opeen worden gepakt. In een parochie van deze buurt telde de dienst voor de volksgezondheid 581 personen per acre, ofschoon men de halve breedte van de Theems erbij opgemeten had. Het spreekt vanzelf dat iedere sanitaire maatregel, die — zoals tot nu toe in Londen het geval is — door het slopen van ondeugdelijke huizen de arbeiders uit de ene wijk verjaagt, er slechts toe dient om hen in een andere wijk nog dichter op elkaar te dringen. Dr. Hunter schrijft: ‘Of aan deze handelwijze moet noodzakelijk een einde komen omdat het een absurditeit is, óf het medelijden van het publiek (! -M.) moet worden gewekt door datgene, wat men thans zonder overdrijving een nationale plicht kan noemen, namelijk het verschaffen van onderdak aan lieden die door gebrek aan kapitaal hier zelf niet in kunnen voorzien, maar wel door periodieke betalingen de verhuurder schadeloos kunnen stellen.’[122] Men moet wel bewondering hebben voor de kapitalistische rechtvaardigheid! De grondbezitter, de huiseigenaar, de zakenman krijgt bij onteigening wegens improvements — zoals bij spoorwegen, nieuwe aanleg van straten, enzovoort — niet alleen een volledige schadeloosstelling, maar hij moet van Gods- en rechtswege bovendien voor zijn afgedwongen ‘onthouding’ nog worden getroost door een aanzienlijke winst. De arbeider wordt met vrouw, kind en have op straat gezet en als hij in te grote getale naar stadswijken trekt, waar het stadsbestuur op fatsoen gesteld is, wordt hij uit naam van de volksgezondheid gerechtelijk vervolgd!
In het begin van de negentiende eeuw was Londen de enige stad in Engeland met meer dan 100.000 inwoners. Slechts vijf steden telden meer dan 50.000 inwoners. Nu zijn er 28 steden met meer dan 50.000 inwoners. ‘Het resultaat van deze verandering was niet alleen een enorme groei van de stedelijke bevolking, maar de oude dichtbevolkte kleine steden zijn nu centra geworden, die van alle kanten zijn ingebouwd en waar geen frisse lucht bij kan komen. Aangezien deze steden voor de rijken niet langer aangenaam zijn, worden ze door hen verlaten en trekken zij naar de vrolijkere voorsteden. De opvolgers van deze rijken betrekken de grote huizen, een gezin per kamer, vaak nog met onderhuurders. Op deze wijze wordt een bevolking in huizen geperst, die niet voor hen bestemd zijn en waarvoor zij volstrekt ongeschikt zijn, met een omgeving die werkelijk vernederend is voor de volwassenen en verderfelijk voor de kinderen.’[123] Hoe sneller het kapitaal in een fabrieks- of handelsstad wordt geaccumuleerd, des te sneller groeit de stroom van voor uitbuiting beschikbaar mensenmateriaal en des te rampzaliger is de geïmproviseerde behuizing van de arbeiders. Newcastle-upon-Tyne neemt als centrum van een steeds bloeiender steenkool- en mijngebied na Londen de tweede plaats in deze hel der woontoestanden in. Niet minder dan 34.000 mensen wonen daar in eenkamerwoningen. Ter bescherming van de openbare veiligheid zijn in Newcastle en in Gateshead onlangs een groot aantal huizen op last van de politie gesloopt. En terwijl de zaken goed gaan, vindt de bouw van nieuwe huizen in een zeer langzaam tempo plaats. Daardoor was de stad in 1865 dichter bevolkt dan ooit tevoren. Er was nauwelijks meer een enkele kamer te huur. Dr. Embleton, verbonden aan het ziekenhuis van Newcastle, verklaart: ‘Zonder enige twijfel ligt de oorzaak van het voortduren en van de verbreiding van tyfus in de opeenhoping van menselijke wezens en de onzindelijkheid van hun woningen. De huizen, waarin de arbeiders gewoonlijk leven, liggen in afgesloten stegen en hofjes. Wat betreft licht, lucht, ruimte en zindelijkheid vormen zij voorbeelden van gebrekkigheid en ongezondheid, een smaad voor ieder beschaafd land. Mannen, vrouwen en kinderen liggen ‘s nachts opeengehoopt bij elkaar. Wat de mannen aangaat, volgen nacht- en dagploegen elkaar in een onafgebroken stroom op, zodat de bedden nauwelijks kunnen afkoelen. De watervoorziening van de huizen is slecht en nog slechter zijn de privaten, smerig, zonder ventilatie en pestilent.’[124] De wekelijkse huur van deze holen is gestegen van 8d. tot 3s. Dr. Hunter schrijft: ‘In Newcastle-upon-Tyne vinden we een voorbeeld van een der beste groepen van onze landgenoten, die door uiterlijke omstandigheden van behuizing en woonwijken vaak zijn gezonken tot een vrijwel barbaarse ontaarding.’[125]
Ten gevolge van de op- en neergaande bewegingen van kapitaal en arbeid kan de woningtoestand in een fabrieksstad vandaag dragelijk zijn en morgen afschuwelijk worden. Of het stadsbestuur kan ten slotte hebben besloten om de ergste misstanden uit de weg te ruimen, terwijl morgen een sprinkhanenzwerm van haveloze Ieren of verkommerde Engelse landarbeiders neerstrijkt. Ze worden weggestopt in kelders en op zolders of men verandert fatsoenlijke arbeiderswoningen in logies, waarvan de bewoners even snel wisselen als de inkwartiering gedurende de Dertigjarige Oorlog. Bradford is hiervan een voorbeeld. Daar waren de heren stadsbestuurders juist bezig met stedelijke hervormingen. Bovendien waren in 1861 nog 1.751 huizen onbewoond. Toen kwam een opleving van de handel, waarover de halfzachte liberale heer Forster, vriend der negers, onlangs zo aardig gebeuzeld heeft. En met de opleving kwam natuurlijk een overstroming van golven van het steeds bewegende ‘reserveleger’ of de ‘relatieve overbevolking’. De meest afschuwelijke kelderwoningen en kamers, die op de lijst stonden welke dr. Hunter kreeg van een agent van een verzekeringsmaatschappij,[126] werden meestal bewoond door goedbetaalde arbeiders. Zij verklaarden liever voor betere woningen te willen betalen indien deze te krijgen waren. Ondertussen verslonsden en verziekten zij met man en muis, terwijl de halfzachte liberale Forster, lid van het parlement, tranen vergiet over de zegeningen van de vrijhandel en over de winsten van de eminente lieden uit Bradford, die in kamgaren doen. In het rapport van 5 september 1865 schrijft dr. Bell, een der armendokters uit Bradford, dat de vreselijke sterfte aan koortsziekten in zijn district te wijten is aan de woningtoestanden: ‘In een kelder met een inhoud van 1.500 kubieke voet wonen tien personen. . . De Vincent Street, Green Aire Place en de Leys staan 223 huizen met 1.450 bewoners, 435 bedden en 36 privaten. . . Elk bed — en daaronder versta ik iedere bundel smerige lompen of een handvol houtkrullen — wordt door gemiddeld 3,3 personen beslapen, vaak door vier of zes personen. Velen slapen zonder bed op de grond met hun kleren aan, jonge mannen en vrouwen, getrouwd en ongetrouwd, alles door elkaar. Is het nodig hieraan toe te voegen dat deze behuizingen meestal donkere, vochtige, smerige stinkholen zijn, absoluut ongeschikt om te dienen als woning voor mensen? Het zijn de centra, vanwaar ziekten en dood worden verspreid, ook onder de betergestelden, die hebben toegestaan dat deze pestbuilen in ons midden woekeren.’[127]
Bristol neemt na Londen de derde plaats in wat betreft deze woningellende. ‘Hier, in een der rijkste steden van Europa, vinden we de grootste overvloed van naakte armoede en huiselijke ellende.’[128]
We zullen ons nu bezighouden met dat deel van de bevolking, dat oorspronkelijk afkomstig is van het platteland, maar wier arbeid voornamelijk op het terrein van de industrie ligt. Zij vormen de lichte infanterie van het kapitaal, dat hen al naar gelang de behoeften nu eens hier, dan weer elders gebruikt. Wanneer zij zich niet op weg bevinden, dan ‘kamperen’ ze. De arbeid van rondtrekkende arbeiders wordt gebruikt voor verschillende bouw- en draineringswerkzaamheden, vervaardiging van bakstenen, kalkbranden, aanleg van spoorwegen, enzovoort. Zij importeren een bewegende haard van pestilentie in de omgeving van de plaatsen waar zij hun kamp opslaan: pokken, tyfus, cholera, roodvonk, enzovoort.[129] Bij ondernemingen, waarin een aanzienlijk kapitaal is geïnvesteerd (zoals aanleg van spoorwegen, enzovoort) voorziet de ondernemer zelf meestal zijn leger van houten keten en dergelijke, geïmproviseerde dorpen zonder enige voorziening voor de gezondheid en onttrokken aan het toezicht van de plaatselijke overheid. Dit is zeer winstgevend voor de heren aannemers, die de arbeiders nu dubbel uitbuiten: als industriesoldaten en als huurders. Al naar gelang deze houten keten één, twee of drie hokken bevatten, moeten hun bewoners (grondwerkers, enzovoort) 1s., 3s. of 4s. per week betalen.[130] Een enkel voorbeeld is voldoende. Dr. Simon rapporteert dat in september 1864 de Minister van Binnenlandse Zaken, Sir George Grey, de volgende klacht ontving van de voorzitter van het Nuisance Removal Committee van de gemeente Sevenoaks: ‘Tot ongeveer twaalf maanden geleden kwam pokken in deze gemeente in het geheel niet voor. Korte tijd daarvóór begon men aan de werkzaamheden voor een spoorweg van Lewisham naar Tunbridge. Behalve dat de voornaamste werkzaamheden in de directe omgeving van deze stad werden uitgevoerd, werd hier ook het depot gevestigd voor het gehele werk. Het gevolg was dat een groot aantal personen hier in dienst werden genomen. Aangezien het onmogelijk was hen allen in huizen onder te brengen, liet de aannemer, de heer Jay, langs de spoorlijn op verschillende punten keten neerzetten voor behuizing van de arbeiders. Deze keten waren noch van ventilatie, noch van riolering voorzien en waren bovendien noodzakelijkerwijs overvol, omdat iedere huurder andere onderhuurders moest nemen, ongeacht de grootte van zijn eigen gezin en ongeacht de omstandigheid dat iedere keet slechts twee kamers bevatte. Volgens het door ons ontvangen medisch rapport was het gevolg hiervan dat deze arme lieden ‘s nachts alle plagen van benauwdheid moesten ondergaan wilden zij de pestilente stank van het smerige, stilstaande water en van de privaten onder hun ramen vermijden. Ten slotte ontvingen wij klachten van een arts, die in de gelegenheid was geweest deze keten te bezoeken. Hij sprak in de bitterste bewoordingen over de toestand in deze zogenaamde woningen en hij verklaarde de ernstigste gevolgen te vrezen wanneer niet enkele sanitaire maatregelen werden getroffen. Ongeveer een jaar geleden nam de genoemde heer Jay het op zich een huis in te richten, waar de door hem te werk gestelde personen bij het uitbreken van besmettelijke ziekten direct zouden kunnen worden geïsoleerd. Eind juli jl. herhaalde hij deze belofte, maar hij heeft geen enkele stap ondernomen om tot uitvoering ervan te komen, ofschoon sindsdien verschillende gevallen van pokken zich hebben voorgedaan, waarvan twee met dodelijke afloop. Op 9 september rapporteerde de heer Kelson, arts, andere gevallen van pokken in dezelfde keten en hij beschreef hun toestand als verschrikkelijk. Te uwer informatie (van de Minister -M.) moet ik hieraan toevoegen dat onze gemeente beschikt over een geïsoleerd huis, het zogenaamde pesthuis, waar de inwoners van de gemeente, die besmettelijke ziekten hebben, worden verpleegd. Dit huis is thans sinds maanden voortdurend overvol met patiënten. In één gezin stierven vijf kinderen aan pokken en koorts. In de periode 1 april-1 september van dit jaar kwamen ni